Wil de nieuwe Bob Dylan nu opstaan?

Vietnam, kernwapens, onderdrukking van zwarten: de jaren zestig en zeventig vormden een vruchtbare bodem voor protestsongs. Ook tegenwoordig is er genoeg om je druk over te maken. Maar kunnen Conor Oberst, D’Angelo en M.I.A. zich wel meten met de dwarse zangers van weleer?

Meteen al aan het begin van het nieuwe millennium gloorde er even hoop aan de horizon. Met de massademonstraties tegen de op handen zijnde oorlog in Irak, de opkomst van de antiglobalisten en, later, de vuist die de Occupy-beweging maakte, hadden we eindelijk weer eens reuring die zich kon meten met het politieke vuur dat in de jaren zestig de harten van de jeugd én de barricades in vlam zette. Occupy hamerde erop dat het gros van de rijkdom in handen was van één procent van de wereldbevolking. Zij verklaarden zich solidair met de overgrote meerderheid die het met veel minder moest doen, of zelfs in grote armoede leefde. Je suis 99 pourcent, zouden we nu zeggen. Was dit niet de ideale voedingsbodem voor de wederopstanding van de protest-song? Waren de times eindelijk weer eens a-changin’? Het had er alles van weg, maar niets was minder waar. Het heilige vuur van de antiglobalisten en Occupy is alweer gedoofd, smeult misschien nog een beetje na, maar is zeker geen voedingsbodem voor de nieuwe Woody Guthrie of Bob Dylan.

Met de stelling dat de protestsong sinds het eind van de jaren zestig zo dood als een pier is, wenden wij ons tot prof. dr. René Boomkens, de cultuurwetenschapper die de boeken in ging als de eerste wetenschapper die de leerstoel Popmuziek onder zijn hoede kreeg. Boomkens begint met het enigszins relativeren van het fenomeen ‘protestsong’. “Allereerst,” steekt hij van wal, “is de protestsong nooit erg dominant geweest. Dat is toch een beetje een opgeblazen idee dat we hebben over de jaren zestig. In die tijd waren er een aantal protestbewegingen die elkaar enorm hebben versterkt, zoals de burgerrechtenbeweging in Amerika en de Vietnambeweging door heel Europa en de VS heen. Daar speelde ook popmuziek een grote rol in. De songs van Dylan natuurlijk, maar ook een nummer als I-Feel-Like-I’m-Fixin’-to-Die Rag van Country Joe and the Fish. Dat heeft een tijdje geduurd en zo nu en dan duikt er weer eens een politiek getint protestlied op – maar om nou te zeggen dat ze er ooit heel erg waren, en nu dus niet meer – dat geloof ik niet. Je had in de jaren tachtig de gangstarap, politiek getinte hiphopmuziek, die natuurlijk ook uitermate dubieuze kanten had. Maar ik betwijfel of dat een nieuwe trend in de protestbeweging is geweest.”

Hij vervolgt: “Die periode van enorme aandacht is natuurlijk maar heel kort geweest. Van Blowin’ in the Wind (1963) en The Times They Are a-Changin’ (1964) tot ’68, ’69 – dat is toch een vrij uitzonderlijke periode geweest. Je had de folkscene in de coffee houses in Greenwich Village, waar Bob Dylan en Joan Baez speelden. In Nederland had je Armand en Boudewijn de Groot, die protestliedjes van onder meer Donovan en Dylan in het Nederlands zong. De protestsong werd in die tijd gevoed door een enorme tegencultuur: cultureel protest tegen gezag in het algemeen, tegen de kerk en tegen autoritaire regeringen en daar zat ook de hele Beat Generation bij met hun poëzie, romans en andere kunstvormen. Zo’n sterke counterculture is er op dit moment niet. Ja, tenzij we kijken naar Occupy in 2011, niet helemaal vergelijkbaar, maar wel gesteund door Steve Earle en Bruce Springsteen. Maar die hadden niet de impact en de massaliteit van de jaren zestig.”

Misschien moeten we zelfs wel wat verder terug dan de jaren zestig, want ook Bob Dylan had het niet allemaal zelf bedacht. In dat verband, en refererend aan Boomkens’ constatering dat vandaag de dag de meeste protesten klinken in de rapcultuur, is het misschien wel aardig om even te kijken naar de Ballade des Pendus (ballade van de gehangenen) van François Villon, een gedicht uit de vijftiende eeuw. Villon geeft de gehangenen een stem, een stem die de voorbijgangers smeekt om niet te hard over hen te oordelen. Natuurlijk, zij hebben de wet gebroken, maar ze doen boete en smeken God om vergeving. Geen aanklacht tegen de maatschappij die hen tot kleinere of grotere vergrijpen heeft gedreven, geen woede om hun vroegtijdige dood. Maar wel een stil protest tegen de onwil om hun situatie te begrijpen.

De Ballade des Pendus is ook relevant omdat Abel Meeropol, de dichter die de tekst van het door Billie Holiday gezongen lied Strange Fruit schreef, goed naar de ballade van Villon moet hebben gekeken. De rottende, door zon geblakerde lijken, waarvan de vogels de ogen hebben uitgepikt. Een aanklacht tegen de lynchpartijen in het Zuiden van de Verenigde Staten. Billie Holiday als protestzangeres avant la lettre. Zo waren er zoveel, met destijds als jongste loten aan de boom de songs van Woody Guthrie, de man die het lichtende voorbeeld van de protestzanggeneratie zou worden.

Aan de oprechtheid van de motieven van die generatie geëngageerde folkies wordt nog weleens getwijfeld. Over Dylan wordt soms beweerd dat hij eigenlijk een popster als Elvis of Jerry Lee Lewis had willen worden, maar de weg naar succes bekortte door op de bandwagon van de folktrend te springen. Een aantijging die je overigens niet meteen terzijde kunt schuiven, aangezien Dylan na het eerste bezoek van de Beatles aan de VS óók een elektrische gitaar kocht en ook liedjes over de liefde ging zingen.

René Boomkens kan niet zoveel met die constatering. “Achteraf is het natuurlijk moeilijk om te bepalen wat de motieven van Dylan waren,” meent hij. “Ik denk wel dat zijn betrokkenheid integer was, zeker bij de Amerikaanse volksmuziek, daar zat nogal wat links protest bij. Dylans grootste inspiratiebron was zoals gezegd Woody Guthrie, een man die een sticker op zijn gitaar had met de tekst ‘this machine kills fascists’. Enorm politiek was Dylan niet. En hoewel hij geen stem van een generatie wilde zijn, heeft hij natuurlijk een paar liedjes geschreven die de tijdgeest weerspiegelden. Dat soort liedjes kun je niet schrijven, als je alleen maar handig inhaakt op een modeverschijnsel.”

Na het verscheiden van de protestsong aan het einde van de jaren zestig, doste het genre zich halverwege de jaren zeventig uit in punkkledij. Oprecht, of toch een door Malcolm McLaren (manager van de Sex Pistols) bedachte gimmick? Boomkens: “Het fenomeen Sex Pistols werd misschien ‘bedacht’ door McLaren, maar punk bestond daarvoor al. Daarna werd het punk-imago inderdaad modieus. In Japan waren veel bands die er precies zo uitzagen als de Pistols. De boodschap van die bands was niet per se politiek of tegen iets in het bijzonder. Punks schopten tegen alles wat maar riekte naar een gevestigde orde. Ze waren niet alleen tegen de Eagles of Pink Floyd, maar uitten ook hun onbehagen over thema’s als werkloosheid en uitzichtloosheid. Wat de muziekindustrie betreft heeft punk flink huisgehouden: heel veel old school bands zijn toen geruisloos verdwenen.”

Na het salonfähig worden van de punkbeweging verhuisde het sociale engagement naar de opkomende rapcultuur. En voor een groot deel zit het engagement daar nog steeds. Boomkens: “Vormen van tegencultuur en politiek en sociaal engagement kom je voornamelijk tegen in de hiphop. De twee populairste genres van dit moment zijn hiphop en dance. Dance is totaal apolitiek en ongeïnteresseerd in wat dan ook – dance wil gewoon feest. De rappers staan daar tegenover. Muzikaal raken die twee elkaar wel: ze werken allebei met beats en samples. Maar rap heeft duidelijk een eigen verhaal dat behoorlijk sociaal bewust en politiek is. En dan heb je nog de singer-songwriter – dat is een beetje een algemeen label geworden voor alles en iedereen. Daar zitten ook wel wat politieke figuren tussen, maar erg uitgesproken is het niet. Het zijn meer in zichzelf gekeerde commentatoren dan enorm bevlogen politieke protestzangers. Die zie ik op dit moment heel erg weinig.”

We vragen of Boomkens hiervoor een verklaring kan geven. “Misschien moet je daarvoor,” filosofeert hij, “kijken naar de -americana, muziek die dan wel totaal apolitiek is, maar wel iets heeft van: wij verdedigen een wat eerlijkere, authentiekere Amerikaanse cultuur dan die van de heersende politiek of die van het bedrijfsleven. In die muziek worden allerlei lokale of regionale waarden verdedigd. Dat vind je ook wel weer terug in Europa of in Nederland waar mensen ineens weer in het Fries of het Drents of het Zeeuws gaan zingen, zich een beetje afkeren van de dominante cultuur. Ze hebben kleinere groepjes fans. Dat hangt een beetje samen met de structuur van internet, dat je makkelijker van die kleine gemeenschapjes creëert van fans, aficionado’s en aanhangers van een of twee bandjes. Dat zie je heel sterk: dat men zich afkeert van de officiële showbizzwereld en in eigen beheer platen gaat maken. Dat heeft eerder een cultureel dan een politiek karakter. Wij zijn anders en wij willen op een andere manier leven.”

Die hang naar identiteit en authenticiteit zou kunnen uitmonden in een politieke visie. “Ja, “ beaamt Boomkens. “De band Wilco is daar een mooi voorbeeld van. Die maakt – weliswaar elektrisch versterkte – volksmuziek, maar speelde wel ter ondersteuning van Barack Obama tijdens zijn eerste presidentiële campagne. Dat alles in de hoop dat hij een ander soort Amerika zou kunnen bewerkstelligen. Verder zou je het feit dat Bruce Springsteen de muziek van Pete Seeger op de plaat zette, ook als een politiek statement kunnen zien. Maar dat zijn individuele uitingen en niet, zoals de hiphop, een tegencultuur.”

Hiphop en rap dus als de nieuwe tegencultuur, de nieuwe manier om protesten te verwoorden. Maar is dit niet in tegenspraak met de onmetelijke rijkdom van iconen als Jay Z, Beyoncé of Kanye West? “Zij moeten aan hun street credibility blijven werken,” antwoordt Boomkens. “Wat niet wegneemt dat hun rol als vlaggenschepen van de zwarte Amerikaanse cultuur heel erg belangrijk blijft, die nog steeds een beetje als tweederangs wordt gezien. De Beyoncés en Jay Z’s zijn ook muzikaal van belang omdat zij nieuwe dimensies toevoegen aan de hiphop. Maar ze staan wel ver af van politieke street-hiphopartiesten Grandmaster Flash en Public Enemy; dat is allemaal al lang geleden.”

“Maar je kunt wel zeggen dat die hiphopcultuur zich, los van de Amerikaanse cultuur, over de hele wereld heeft verbreid. Je hebt Indiase hiphop, Marokkaanse hiphop enzovoort. Ik weet dat dat in Afrika best moeilijk is geweest, dat de rappers daar soms dingen zeiden die de plaatselijke leiders onwelgevallig waren. Zij hebben hun posities heel erg moeten verdedigen. Hoe dat zich verder gaat ontwikkelen, of zij net zo geïncorporeerd worden als de Jay Z’s en de Beyoncés, weten we niet. Op dat punt zou je kunnen stellen dat de hiphop de plaats van de protestzangers heeft overgenomen. Hiphop is natuurlijk een heel erg tekstuele vorm van muziek. Het zijn gewoon talige battles en daar kun je veel kanten mee op. Maar vandaag de dag is het vaak een beetje ongemakkelijk wanneer je de hiphopmiljonairs, soms zelfs -miljardairs, een beetje gemakkelijk met geld ziet strooien.”

Alles nog eens overdenkend vermoeden we dat die nieuwe Dylan buiten de hiphopscene allang is opgestaan, maar dat we gewoon geen tijd meer hebben om naar hem te luisteren. Of sterker nog: geen tijd meer voor hem wíllen maken. Of nóg sterker: geen behoefte meer aan hem hebben. Om de tijdgeest te verwoorden en om geestverwanten met elkaar in verbinding te brengen, had je iemand als Dylan nodig. Sterren en geestelijk leiders kunnen alleen maar verrijzen bij gratie van volgelingen die hen absoluut nodig hebben. In de 21ste eeuw zijn we bijna allemaal slaafse volgelingen van internet en de sociale media. Protesteren of ageren doe je meteen met een tweet. Communities met gelijkgestemden vorm je op Facebook of LinkedIn. Dankzij de smartphone kun je 24 uur per dag contact hebben met wie je maar wil. Met één muisklik deel je emotie, voorkeur, afgrijzen, lol, liefde of haat met honderden vrienden all over the planet.

Dat is nog eens wat anders dan met vier vrienden op een kamertje keer op keer weer luisteren naar dat duur betaalde album van Woody Guthrie, Pete Seeger, Joni Mitchell of Buffy Sainte-Marie. Bij die ene vriend die toevallig een platenspeler had. Daar deelde je emoties en voelde je je verbonden. De folkscene met zijn sociaal en politiek geëngageerde dichter-zangers was de paraplu waaronder gelijkgestemde geesten elkaar konden ontmoeten. En als we Bob Dylan even transformeren tot een metafoor voor dit hele verschijnsel, zou je het volgende kunnen stellen: Dylan was het internet dat ons met elkaar verbond. Die status kan geen enkele zanger meer verwerven.

Want wie kan ons iets vertellen wat we al niet weten? Wie kan nog tegen iets protesteren waar niet al tegen geprotesteerd is? The Times They Are a-Changin’? Goh, Bob, echt waar? En heb je ook nog iets te vertellen wat we nog niet wisten? En als iemand nog met zo’n iconisch album zou komen, zouden we het dan tussen alle tweets, posts, links, playlists, games en miljoenen Spotify-streams de aandacht kunnen geven die de Dylan-catalogus in de vroege jaren zestig kreeg? Gezien het feit dat een etmaal nu, net als toen, maar 24 uren telt, is dat zeker niet zo. Een van de tracks van die nieuwe messias (inderdaad: D’Angelo, de zelfverklaarde Black Messiah, is inderdaad een kanshebber) zou ongetwijfeld op een playlist terechtkomen met de beste protestsongs van het nieuwe millennium – want die lijstjes zijn er. Dit zou zo’n lijst kunnen zijn:

Tom Waits – Day After Tomorrow (2004), Conor Oberst – When the President Talks to God (2005), Neil Young – Let’s Impeach the President (2006), Bruce Springsteen – How Can a Poor Man Stand Such Times and Live? (2006), M.I.A. – Born Free (2010), PJ Harvey – The Words That Maketh Murder (2011), Killer Mike – Reagan (2012), The Game – Don’t Shoot (2014), D’Angelo – The Charade (2014)

Veel oudgedienden dus (Young, Springsteen, Waits) die hun kunstje nog eens dunnetjes overdoen. Conor Oberst (en zijn band Bright Eyes) komt nog het meeste in aanmerking voor de titel van de beste protestzanger geschoeid op de leest van de jaren zestig. Maar dat gezegd hebbende, je hoort toch ook dat hij niet helemaal deze tijdgeest verklankt. Misschien is het wachten op de nieuwe Dylan zoiets als wachten op een nieuw model stoomlocomotief terwijl we al lang en breed in het tijdperk van de interplanetaire ruimtevaart zitten. En waar de hiphop zich bezighoudt met het een op een aan de kaak stellen van sociale misstanden of het escalerende politiegeweld, gaat een totaalkunstenares als M.I.A. op de metaforische toer. Met Born Free gaat zij verder waar Randy Newman – de notoire luis in de pels van Uncle Sam – ooit ophield met een song als Short People. M.I.A. (haar echte naam, Mathangi Arulpragasam, de afkorting van haar artiestennaam staat voor ‘missing in action’) spuugt haar raps uit in een wervelstorm van elektronica. Newman stelde de kwestie van discriminatie aan de orde door het ridiculiseren van mensen van geringe afmeting in zijn song. En natuurlijk waren er weer mensen (uiteraard klein van stuk) die het lied letterlijk namen en wettelijke stappen ondernamen om het te laten verbieden. M.I.A. doet in haar door Romain Gavras geregisseerde clip hetzelfde, maar op een wel heel erg brute manier, door een genocide van mensen met rood haar onverholen in beeld te brengen.

Flashback naar 1964 en The Times They are a-Changin’, het knullige promofilmpje dat regisseur Daryl Duke maakte voor Dylans gelijknamige album. We zien de protestzanger spelen in een soort blokhutcafé waarin een aantal acteurs stuntelig voor de couleur locale zorgen. Historisch gezien zijn de beelden van grote waarde: Dylan als de vleesgeworden protestsong, een genre dat hij zelf ten grave zou dragen door snel daarna een elektrische gitaar te kopen en over zijn eigen sores te gaan zingen. Natuurlijk waren er nog een handvol copycats die het langer vol zouden houden; we denken bijvoorbeeld aan de stekelige sociale satire van Loudon Wainwright III. Maar verder werd het genre ingelijfd door de mainstream en zelfs de avant-garde. Iemand als Frank Zappa heeft gedurende zijn hele carrière de rol van het establishment en de verwerpelijkheid van de burgermansmoraal steviger aan de schandpaal genageld dan alle sociaal en politiek bewuste folkies bij elkaar deden. Toch zal niemand het in zijn hoofd halen om Zappa een protestzanger te noemen. Ook M.I.A. kunnen we niet als zodanig beschouwen. Want kijkend naar de video kun je maar tot één conclusie komen: de tijden zijn écht veranderd./

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Ruud Meijer