Waarom dialecten nog altijd niet zijn uitgestorven

‘Heftan tattat! Heftan tattat! Hee här völs te völ patat had, en doo hef e t dus an t hart had.’ Was getekend, Willem Wilmink. Het is een strofe uit een van de mooie gedichten in dialect die het Nederlands rijk is. Of er in de toekomst poëzie in het Twents dialect zal worden geschreven (schrijver en dichter Wilmink overleed in 2003) is nog maar de vraag. Het dialect wordt immers al jaren met uitsterven bedreigd.

Regionale taalverschillen kennen we, denk alleen al ‘friet’ en ‘patat’, maar écht dialect wordt minder gesproken dan pak ‘m beet vijftig jaar geleden. Het Gronings, Drents, Twents, Brabants en Limburgs beginnen zeldzaam te worden, en een heel sexy imago heeft streektaal niet. En dat is jammer, want een aanzienlijk deel van Neerlands mooiste proza en poëzie is geschreven in dialect.

Cockney
Het einde van de streektaal wordt al jaren voorspeld. Het aantal mensen dat nog gebruik maakt van zijn regionaal patois is gestaag aan het afnemen, dat komt uit meerdere onderzoeken naar voren. In een uitzending van NTR Academie uit 2013 schatte taalkundige Wim Daniëls dat dialecten binnen veertig jaar uit zouden zijn gestorven. Ook de Groningse winnaars van de streektaalprijs vorig jaar waren bang dat hun geliefde tongval over enkele decennia niet meer zal bestaan.

Niet alleen in Nederland lijken dialecten op hun retour. De afgelopen jaren werd in zowel binnen- en buitenlandse media bericht over accenten die nog maar een kort leven beschoren zijn. Zo worden niet alleen het Gronings, Drents, Twents en Limburgs minder gesproken, ook het in veel Hollywoodfilms gesproken New Yorks en het iconische, en internationaal geïmiteerde, cockney-accent zijn in gevaar. Tenminste, dat wordt verondersteld.

Onderzoek naar de vraag of dialecten wel echt zullen uitsterven heeft nog al eens tegenstrijdige uitkomsten. Op sommige plekken wordt door geleerden juist weer een toename in het gebruik van streektaal opgemerkt. Voorspellingen dat dialect zal uitsterven zijn veelal gebaseerd op het feit dat het over het algemeen minder wordt gesproken. Dat dialect zal uitsterven is misschien wel niet te bewijzen totdat het daadwerkelijk gebeurt. Maar feit is wel dat dialect steeds minder wordt gesproken en we de komende tijd misschien wel steeds minder houdoe’s, heanig an’s en tot ’n oanermoals gaan horen.

Onbeschaafd
Maar wat zou die afname in het gebruik van dialect dan veroorzaken? Lastig te zeggen. Wereldwijd variëren de aangewezen boosdoeners van globalisering, massamedia, tot een hogere graad van welvaart (voor het uitsterven van talen in het algemeen). En wat dacht u van de sociale onderwaardering van bepaalde dialecten, accenten en tongvallen? (Mede te danken aan het Algemeen Beschaafd Nederlands dat impliceert dat er ook onbeschaafd Nederlands gesproken wordt.)

Schaamte, beweert Martin ter Denge, dichter, schrijver, muzikant en fan van het Nedersaksisch en dialect in het algemeen. Hij won onder andere de Aanmoediginsprijs Twentse Taal met zijn werk en twittert uitsluitend in het Twents. Ter Denge verklaart (in het Twents, en voor u vertaald) waarom sommigen zich misschien schamen voor hun dialect, en noemt nog een opvallende oorzaak voor het eventueel verdwijnen daarvan: “Op scholen in de provincie werd het je afgeleerd. Er werd vaak gedacht in de provincies dat je enkel ‘gewoon’ Nederlands moest spreken als je succesvol wou worden. Je werd genegeerd of bestraft door de docent als je in dialect sprak, het werd (onterecht) gezien als iets doms.”

Maar Ter Denge denkt niet dat de afname van het gebruik van dialect alleen komt door invloed van buitenaf, hij meent dat de sprekers van streektaal zelf ook schuld hebben aan het verminderd spreken daarvan: “Je ziet ook dat mensen alleen hun dialect gebruiken bij andere sprekers. Het is een beetje een raar besloten clubje geworden. Want je ziet ook vaak dat als een leek interesse heeft in dialect hij van de kenner te horen krijgt dat hij dat toch niet kan, en er beter aan doet er niet aan te beginnen. Aan de ene kant lijken ze erdoor beschaamd, aan de andere kant trots.”

Met de opvatting dat streektaal ernstig bedreigd zou zijn is hij het overigens niet eens. Hij vertelt dat alleen al de Nedersaksische dialecten nog dagelijks door zo’n 5,5 miljoen mensen worden gesproken in Nederland en Duitsland. Ter vergelijking: het Noors heeft ongeveer 4,6 miljoen sprekers. Het Nedersaksisch alleen al heeft genoeg sprekers om een land mee te vullen.

Etnolect
In het geval van het Twents hebben tukkers Willem Wilmink en Herman Finkers wonderen verricht voor het imago van de streektaal. Ook Achterhoeker Bennie Jolink droeg zijn steentje bij. In de jaren ’70 was muziek gezongen in dialect populairder dan ooit dankzij de boerenrock van Normaal. Natuurlijk kunnen de Twentenaren niet alle eer opstrijken. Uit de andere hoeken van het land: Bert Visscher, Daniël Lohues, Tsjebbe Hettinga*, Ge Reinders en Bløf. Allemaal laten ze zien dat je in het dialect (of Fries*) alles kan uitdrukken wat je wilt, misschien wel beter dan in het ABN.

En aan het begin van de 21e eeuw lijkt het dialect nog steeds aan populariteit te winnen: Het wordt steeds meer gebruikt voor culturele evenementen. Maar ook in de politiek en marketing zie je steeds vaker slogans in dialect voorbijkomen. Dat dialecten aan populariteit winnen werd 10 jaar geleden al opgemerkt. Ton Goeimans van het Meertens Instituut verklaarde toen al tegenover de Volkskrant: “Werd iemand die dialect sprak vroeger nog gezien als achterlijke boer, nu hechten mensen ook aan de regionale identiteit.” Hij zag destijds zelfs nieuwe dialecten ontstaan dankzij allochtonen die in dialect spraken: etnolect.

Of dialecten ooit echt helemaal zullen verdwijnen? Onmogelijk om met zekerheid te zeggen. The Guardian schrijft onder andere: “It’s isolation that breeds linguistic difference.” Als dat zo is ziet het er niet goed uit voor het dialect. Kortom omdat iedereen steeds meer in contact met elkaar is, en veel mensen niet alleen de neiging hebben om elkaar na te praten, maar ook om als elkaar te praten, bewust of onbewust. Maar misschien zorgt die ontwikkeling er juist ook voor dat dialectsprekers zich meer vastklampen aan het dialect. Mensen willen erbij horen, maar ze willen zich ook onderscheiden, iets eigens behouden.

Het lijkt er in ieder geval op dat hoe vaker we horen over dialecten die dreigen te verdwijnen, des te meer waarde we eraan hechten. Het dialect kan prachtig zijn. Neem nou onderstaand gedicht van Wilmink. (Voor de lezers die het Twents niet machtig zijn, hier een vertaling.)

Heftan Hattat
Zundag weer verjöarsviseet
en iej weet wa hoo dat geet:
Herman hef zoo zeek ewes,
Graads mut ok weer oonder t mes,
Kloas is oet de tied ekomn,
Leida hef zon pien in t lief,
oo, dat aarme, aarme wief.
En hoo is t dan noe met Bernard?
Heftan tattat! Heftan tattat!
Hee har völs te völ patat had
en doo hef e t dus an t hart had.

Dat genöal, oo man oo man,
doodzeek goa’j op hoes op an.

Ype Abels