Wanneer een referendum wel/niet bijdraagt aan de democratie

Voor of tegen een associatieverdrag met Oekraïne? Voor het gros van de kiesgerechtigde Nederlanders zal het morgen eerder de vraag zijn: hoe serieus moet ik deze volksraadpleging nemen? Immers, het referendum is raadgevend. Voor er überhaupt is gestemd roept PVV-voorman Geert Wilders al op tot meer referenda, want een referendum = democratie. Toch? Volkskrant-columnist Bert Wagendorp dacht er vanochtend anders over: ‘Het is helemaal geen democratisch feestje, het is een verkleedpartij met de kiezer in de kleren van de keizer.’

Door de partij van Wilders is het sinds 2015 mogelijk in Nederland een raadgevend referendum af te dwingen bij 300.000 ingezamelde handtekeningen. Het is echter niet meer dan een advies van het volk. De regering hoeft er dus niet per se iets mee te doen, behalve het geld ervoor neertellen. Het Rijk heeft voor dit referendum 30 miljoen euro beschikbaar gesteld.

Uit een peiling van Maurice de Hond blijkt dat het erom spant of er 30 procent van de kiezers komt opdagen, wat een vereiste betreft om de stembusgang geldig te verklaren. Bovendien blijken uit de peiling ‘dat wat de uitslag ook zal zijn de regering zal ratificeren, het onderwerp is niet belangrijk genoeg en het feit dat het een raadgevend referendum is’ de voornaamste argumenten voor de thuisblijvers. 57 procent vindt dat het volgende referendum bindend moet zijn, waardoor een uitslag zonder debat overgenomen moet worden. In zekere zin gaat dit referendum dus om de roep om referenda an sich serieus te nemen.

En dat doet Wilders. In november viel in de Volkskrant een ingezonden brief van Wilders te lezen waarin hij pleitte voor méér rechtstreekse inspraak van het volk door meer referenda. “De Nederlanders moeten rechtstreeks over de eigen toekomst kunnen beslissen. De politieke elite doet precies het tegenovergestelde van wat de mensen willen. Dat gebeurt keer op keer.” Maar wordt dit opgelost met meerdere (bindende) referenda?

Journalist Paul Steenhuis schrijft in NRC dat het tanend vertrouwen in de politiek wordt veroorzaakt door ‘toenemend incidentalisme in de politiek’, gevoed door de wisselwerking van media en politiek. Volgens Steenhuis verhevigen en institutionaliseren referenda met hun mediaspektakel juist de incidentenpolitiek. “Het is een uitholling van de representatieve democratie.”

Wilders schreef in zijn ingezonden brief dat politici en media ervan uit lijken te gaan dat wat de mensen willen een vertolking is van donkere en domme emoties, in plaats van rationele keuzes. Maar zo’n systeem, waarbij steeds andere onderwerpen worden behandeld, doet het emotionalisme juist in de politiek oplaaien. “En juist een democratie met een representatieve bestuursvorm,” citeert Steenhuis uit het boek Weerbare Democratie van Bastiaan Rijpkema, “is ontworpen als een karakteristiek niet-emotionele institutie.”

We moeten volgens Wilders een voorbeeld nemen aan Zwitserland waar burgers vier keer per jaar naar de stembus worden geroepen om deel te nemen aan tientallen bindende referenda. Wilders lijkt te vergeten dat het belangrijk is dat de burgers in kwestie voldoende afweten van het onderwerp waarover het referendum gehouden wordt. Het eerste referendum in Nederland in 2005 laat zien dat dit niet het geval is: veel Nederlanders dachten dat de Nederlandse grondwet zou verdwijnen ten gunste van een Europese terwijl dit niet het geval was. En in 2014 weten we niet veel meer. Misschien moeten we daar een referendum over houden. Of, zoals Wagendorp vanochtend schreef in zijn Volkskrant-column: ‘Het enige positieve aan het referendum is de vaststelling dat Nederland zich kennelijk zo dodelijk verveelt, dat we bereid zijn elkaar over alles in de haren te vliegen – en dus misschien ook wel over vraagstukken die er wél toe doen. Laten we gaan nadenken over welke vraagstukken dat zijn.’