Erwin Olaf: ‘Ik wind me ontzettend op over de conservatieve islam. Vre-se-lijk.’

Het werk van meesterfotograaf Erwin Olaf (1959) is gevierder dan ooit: een tentoonstelling in het Rijksmuseum, reizen naar Mallorca, Moskou en Hongkong. Terwijl zijn gezondheid steeds brozer wordt, neemt zijn engagement toe.

“Ik ben een beetje kortademig,” zegt fotograaf Erwin Olaf terwijl we via zijn fotostudio – een grote ruimte vol opgerolde lappen stof, rekwisieten en bordkartonnen wanden – naar het keukentje lopen. “Dat komt doordat ik erfelijke longemfyseem heb, maar dat had je vast al wel gelezen. Ik heb eigenlijk twee bellen oude lucht in mijn longen, in elke long één. Die bellen gaan er niet meer uit. Daardoor neem ik minder zuurstof op.”
De muren van de keuken zijn beschilderd met ogen, neuzen en monden. Op het aanrecht staan een koffiezetapparaat en een magnetron. De ruimte wordt doorkliefd door een lange tafel, waaraan we plaatsnemen.

Hoe gaat het met je?
Verbaasd: “Met mij?”
Ja. Omdat onze vorige afspraak werd gecanceld vanwege je broze gezondheid. ‘Ziekenhuis in, ziekenhuis uit’ noemde je assistent het.
“O, dat. Nu ja, ik heb twee sporen: het gaat goed wat betreft werk en liefde, maar niet zo goed qua gezondheid. Dat komt door dat longemfyseem. Ik word steeds kwetsbaarder, merk ik. Ik word iets eerder oud dan andere mensen.”
Hoe merk je dat in het dagelijks leven?
“Nou, traplopen gaat bijvoorbeeld moeilijker. Een paar jaar geleden liep ik nog moeiteloos drie trappen op naar mijn huis. Nu moet ik na twee trappen een minuut of twee op adem komen, dan na de laatste trap weer een minuut wachten en dan kan ik naar binnen. Fietsen gaat ook minder. Ik heb tegenwoordig een elektrische fiets omdat fietsen op een normale fiets niet meer lukt. En een potje neuken op het hoogste niveau zit er ook niet meer in.”
Heb je nog weleens een scharrel?
“O, jawel hoor.”
Waar pik je die op? Via een datingapp als Grindr?
Met gierende lach: “Ja! Dat is toch een schatkamer! Ik vind het net de Febo. Je trekt een luikje open en je krijgt een kroketje.”
Hij hoest, neemt een slok koffie. “Maar laten we eerlijk zijn: ik ben ook maar een zak oude lucht. Dat heeft ook invloed op je seksualiteit. Daarom gebruik ik een app als Grindr ook niet meer zo vaak. Daar ben ik misschien iets te oud voor. Ik heb mijn leeftijd heel lang ontkend. Pas een jaar of drie geleden heb ik afscheid genomen van mijn jeugd. Tot die tijd stond ik met een leuk kort T-shirt aan en een xtc-pil in mijn mik lekker om me heen te grabbelen op de Gay Pride, maar nu denk ik: ze moeten eerst aan mij beginnen te grabbelen en dan grabbel ik wel terug. Maar er zijn best jongens die op oudere mannen vallen hoor. Ze willen allemaal een daddy die van alles met ze doet. Maar dan denk ik: sodemieter op, doe jij maar lekker van alles bij mij!” Schaterlachend: “Ik op m’n rug en verwen me maar. Werken, kreng!”
De schaterlach ontaardt in een hoestbui – zoals elke lach in een hoestbui lijkt te vervallen.

Zegt je longarts weleens: en nu even een stapje terug?
“Hij heeft me laatst toevallig weer gezegd: Erwin, als je op een aangename manier oud wilt worden, zul je van de vijfde naar de derde versnelling moeten.”
Maar dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan.
“Ja, want ondertussen ligt de wereld aan mijn voeten. Toevallig keek ik vorige week, toen ik met een soort longontsteking op bed lag, de documentaire die Michiel van Erp zes jaar geleden over mij heeft gemaakt voor de eerste keer terug. Daarin zeg ik ook al dat de dokter wil dat ik van de vijfde naar de derde versnelling ga. Ik dacht: shit, dat is nog steeds zo. Maar zo’n tentoonstelling vormgeven in het Rijksmuseum zoals ik net heb gedaan, dat is het mooiste en het hoogste wat ik – als eenvoudige boerenfotograaf – kan bereiken. Daar ga je toch geen nee tegen zeggen? Dan maar ziek daar zitten met een paar pillen erin.”
Pillen?
“Ja, daarmee bedoel ik aspirines. Mooi jasje heb je trouwens aan.”
Dank. Maar je gebruikt geen medicijnen?
“Ik heb wel van die inhalers, maar ik heb een heel slechte medicijndiscipline. Dat komt ook omdat ik nog in een soort ontkenning zit. ‘Ach dat heb ik nog niet nodig.’ Het gaan gebruiken van medicijnen is een soort toegeven dat je homo bent. Datzelfde geldt voor het zuurstofapparaat, zo’n ding met twee slangetjes voor in je neus. Ik heb hem op aanraden van mijn longarts gekocht. Voor tijdens het vliegen. Maar ik heb hem nog niet gebruikt. Seksueel ben ik uit de kast, maar als patiënt zit ik er nog in.”
Heb je overwogen om je ziekte stil te houden?
“Ik had het eigenlijk nooit willen zeggen. Ik heb gewoon mijn mond voorbij gepraat tegenover een journalist. Heel dom. Achteraf ben ik wel blij dat mensen het nu weten. En je wordt meteen ook een soort ambassadeur voor de mensen die het ook hebben. De ziekte komt vaker in het nieuws – bijvoorbeeld in dit interview. Er komt meer aandacht voor. En dat is fijn in een tijd waarin ziektes met elkaar concurreren.”
Maar ondertussen begint iedereen er wel over en had je natuurlijk liever gezond willen zijn.
Hij kijkt vertwijfeld omhoog. Na een seconde of vijf: “Als ik heel eerlijk ben, en ik weet dat dit heel stom klinkt, is die ziekte een verrijking geweest van mijn leven. Het maakt dat ik me er elke dag bewust van ben hoe fijn het is om te leven. En dan in het bijzonder: zo te leven als ik. Welke mensen kunnen zeggen dat ze in zo’n bubbel mogen leven? Als je mijn reisschema ziet voor de komende weken: Parijs, Moskou, Hongkong, Kyoto, Berlijn, Mallorca, Venetië. En dan zit ik niet in een jeugdherberg, hè. Krijg ik alleen maar veren in m’n reet. Dat is toch geweldig?”
Heeft het je ook een beter mens gemaakt?
“O, absoluut. Ik ben minder kwaadaardig. Ik heb nog tien, misschien vijftien jaar te leven. Die ga ik toch niet verpesten met ruziemaken? Of met jaloers zijn op andere mensen? Vijftien jaar geleden was ik misschien jaloers geweest op Anton Corbijn omdat hij drie speelfilms heeft gemaakt, of omdat hij internationaal meer waardering krijgt dan ik. Nu denk ik: nou en? Ik gun hem dat succes. Of toen Rineke Dijkstra een tentoonstelling kreeg in het Guggenheim in New York. Ik was zo blij voor haar. Oprecht blij ook. Tien jaar geleden was ik stikjaloers geweest. Niet dat ik opeens de hele dag vrolijk huppelend door het leven ga hoor: ik kwam hier vanmorgen ook weer vloekend binnen omdat de website niet goed werkt. Maar ik vergeet wel snel. Ik ben milder geworden.”
En toch zijn het ruzietjes waardoor je af en toe in het nieuws komt. Iedereen herinnert zich bijvoorbeeld dat incident waarbij je, tijdens een door jou georganiseerde kiss-in, een verslaggever van GeenStijl in zijn gezicht spuugde.
“Dat had ik natuurlijk nooit moeten doen. Maar als zo’n eikel voor je staat en je bijna dwingt om met een vrouw te zoenen, dan kan ik me gewoon niet inhouden.” Geënerveerd: “Maar aan de andere kant: doe dat eens bij Badr Hari. Vraag hem eens op een heel dwingende manier om met een man te zoenen. Dan wordt je hoofd er denk ik af geslagen.”
Dan, weer bedaard: “Maar die kiss-in is wel een goede wake-upcall geweest. Ik was die interviews ook wel een beetje zat. Het telkens herhalen van jezelf. Ik ben er nu dus ook niet meer zo happig op.”
Waarom doe je het dan? Een collega als Rineke Dijkstra – je noemde haar net al even – geeft zelden interviews.
“IJdelheid. Ik heb altijd van aandacht gehouden. Op de basisschool maakte ik al toneelstukjes van de strips van Jan, Jans en de kinderen – natuurlijk ook met een paar bijrollen, maar niet te veel. Ik moest natuurlijk wel in het middelpunt van de belangstelling staan. Nog steeds. Al is het nu vooral ijdelheid over mijn werk. Zo’n tentoonstelling als Catwalk bijvoorbeeld: daar ben ik razend trots op. Dan wil ik dat zoveel mogelijk mensen dat gaan zien.”
Maar iemand van jouw statuur hoeft toch geen interviews meer te geven?
“Nee, ik heb het nu ook niet zozeer meer nodig. Maar het is soms ook wel fijn om even je zegje te kunnen doen.” Geamuseerd: “La Pat, een beroemde zangeres in de jaren negentig, was een keer helemaal leeggelopen tijdens een interview. Ze had veel te veel over zichzelf verteld. Toen vroeg ik: ‘Waarom heb je dat gedaan?’ En toen antwoordde ze: ‘Het is toch net of je op de bank van de psychiater ligt? Heerlijk! En nog goedkoop ook!’ En zo voelt het ook wel. It’s all about me. Mijn vriendje kan weleens zeggen: het draait altijd om Erwin Olaf. Maar ik heb het vaak niet eens door. Dan denk ik dat ik veel aandacht aan iemand heb gegeven, maar dan hoor ik toch: het ging alleen maar om jou.”
Ben je zelfingenomen?
“Dat denk ik niet. Ik vind mijn talent als fotograaf heel gelimiteerd. Als ik nu aan het begin van mijn carrière zou staan, kwam ik niet boven de rest uit. Ik heb gewoon heel veel geluk gehad met de tijd waarin ik ben begonnen, toen fotografie net begon op te komen als kunstvorm en er nog geen duizenden copycats waren die je werk stalen. Ik heb de juiste mensen ontmoet en kansen gekregen.”
Doe je jezelf dan niet een beetje tekort?
“Nee hoor, het is gewoon zo. En van mijn intelligentie moet ik het ook niet hebben. Ik ben vrij dom.”
Meen je dat?
“Ja. Neem bijvoorbeeld dat spuugincident. Christiaan Weijts heeft me daarop aangepakt, Frits Abrahams heeft me daarop bekritiseerd en hoe heet die vreselijke man… Youp van ’t Hek. Die ook. Alle drie in de NRC. En dan wil ik wel ingezonden brieven schrijven en dit en dat maar daar ben ik gewoon te stom voor. Die mensen zijn zo scherp, daar verlies ik het toch van. Als ik een statement wil maken, dan kan ik dat beter via mijn werk doen dan door iets te roepen.”
Na een korte pauze, licht opgewonden: “Neem zo’n Rohani die naar Italië komt. Al eeuwen worden er naakte standbeelden gemaakt. En dan komt de president van Iran, die niet van naakt houdt, en dan worden er boxen omheen gezet. Dat is toch de omgekeerde wereld?
“De aanslag op Charlie Hebdo heeft ook heel veel indruk op mij gemaakt. Het inspireerde me om twee zelfportretten te maken in streng islamitische kleding met een gag in mijn mond: Tamed & Anger. Kwaad en in paniek – omdat ik niet wist hoe ik me moest voelen. Die portretten werden in november tentoongesteld in Parijs. Ik was naar de opening van die tentoonstelling geweest, ik kom thuis, zet de televisie aan, en wat zie ik: de aanslagen in de Bataclan.” Hij kijkt voor het eerst tijdens het gesprek ernstig en vervolgt: “Maar die olifant in de kamer, daar praat niemand over. Ik vind het ook heel moeilijk, hoor.”
Welke olifant?
“Dat de islam een heel ander geloof is, met een gewelddadig aspect. Dat durven we vaak niet te zeggen. Ik vind dat we onze westerse waarden – bijvoorbeeld tijdens een bezoek van zo’n Rohani – veel te snel te grabbel gooien. Ik kan me daar ontzettend ongelukkig over voelen. Hoe makkelijk we zeggen: er komt een strenggelovig iemand, dus wij passen ons aan hem aan. We vergeten dat geloof ook maar een mening is. Ik vind het prima dat er, zoals Diederik Samsom zegt, tweehonderdduizend vluchtelingen naar Nederland komen. Iedereen die een veilige haven nodig heeft, is hier wat mij betreft van harte welkom. Maar ze moeten wel weten waar ze terechtkomen en zich houden aan onze wet.”
Toch uit je op je persoonlijke Facebookpagina je zorgen over de vluchtelingenstroom die deze kant op is gekomen.
“Ik ben gewoon bang dat fout gedachtegoed wortel schiet in onze samenleving. Daarom vind ik ook dat we strenger moeten handhaven. We leven in een gemêleerde samenleving met honderden culturen en daar ben ik dol op. Maar ik wil niet in een samenleving leven waarin de elite zegt: we houden onze ogen half dicht, we zien het kwaad van het gemêleerde deel niet. Want daar gaat het een beetje naartoe. We moeten niet zo panisch zijn dat we discrimineren. Als je iemand aanspreekt op opvattingen die niet stroken met onze westerse waarden, dan is dat toch geen discriminatie? Iedereen mag van mij denken en geloven wat hij wil. Maar get off my back. Ga mij niet zeggen van wie ik mag houden en van wie niet.
“Straks komen al die vluchtelingen in de stad wonen. Hoe gaan die mensen op ons reageren als ze ons tegenkomen in de stad? Als homoseksueel heb je in Amsterdam vijf straatjes waar je arm in arm kunt kopen. In middelgrote steden zijn dat drie straatjes. We mogen in het hele land trouwen, we mogen allemaal achter de voordeur homoseksueel zijn, maar op straat niet. En dat is wat je graag wilt. En dat is ook mijn queeste: dat homoseksualiteit in het publieke domein meer wordt geaccepteerd.”
Word je weleens nageroepen?
“O ja. Laatst nog. Ik was met twee vrienden, die arm in arm liepen, en meteen weer een scootertje: ‘Vuile homo’s!’ Altijd gehis en gesis. Maar zo snel en sneaky dat alleen jij het ziet en hoort. Je kunt er geen vinger achter krijgen.”
En de politie kan daar natuurlijk ook maar weinig aan doen.
“Nee, maar we moeten daar zelf iets aan doen. We moeten ons omdraaien en schreeuwen: Wat zeg je, klootzak?”
En dan krijg je een tik op je smoel. Of erger.
“Daar ben ik heel benieuwd naar. Hoeveel er een tik op hun smoel krijgen. De straat is een jungle. Iedereen moet zijn plekje veroveren. Dus als ze iets naar je schreeuwen: niet wegduiken, maar voor jezelf opkomen.”
Maar niet iedereen is zo moedig als jij.
“We moeten moedig zijn! We kunnen niet van de overheid verlangen dat ze ons helpt. We moeten ons als homoseksuelen militanter opstellen.”
Merk je een grotere intolerantie binnen onze samenleving?
“Nee. Ik wind me natuurlijk ontzettend op over de conservatieve islam die vreselijk, vre-se-lijk is voor iedereen die afwijkt van de norm. Maar ondertussen heb ik in het westen nog nooit zoveel vrijheid gevoeld als vandaag de dag. Bijvoorbeeld dat het homohuwelijk in de Verenigde Staten is gelegaliseerd. Dat is toch geweldig? En dat de oppositieleider in Australië, een megaconservatief land, een wetsvoorstel heeft ingediend om het homohuwelijk ook daar te legaliseren. Het gaat geweldig goed bij ons.
“Er is alleen nog wel heel veel te winnen. In de dorpen en middelgrote steden zijn het vooral de autochtone ouders, familieleden en vrienden die homoseksualiteit lange tijd niet hebben geaccepteerd. Tegenwoordig is dat wel verbeterd, maar dat neemt niet weg dat een vriend uit Steenwijk regelmatig een klap op z’n smoel krijgt. Van autochtonen. In de steden zijn het vooral de derde generatie migrantenkinderen – veelal uit islamitische landen, want dat moet je er ook altijd even bij zeggen – die zich willen bemoeien met jouw seksualiteit. Bemoei je met je eigen seksualiteit, zou ik zo denken. Het is goed dat er sinds kort weer homovoorlichting wordt gegeven op scholen. Dat helpt in ieder geval al iets.”
Je had het net al over die twee zelfportretten die je hebt gemaakt naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo. Ben je ook van plan om iets met de vluchtelingencrisis te doen?
“Niet direct, maar ik ben nu toevallig bezig met twee beeldhouwwerken. Het eerste beeld is een marmeren beeld dat omhuld wordt door eenzelfde soort box die tijdens het bezoek van Rohani om de naakte standbeelden zijn gezet. Je kunt het beeld dus alleen van bovenaf bekijken. Het is een beeld van een naakte man – een vriend van me, niet per se iemand met een mooi figuur – die boos omhoog kijkt. Het is een heel klassiek beeld met zelfs een boomstammetje ernaast, maar de man staat wel op teenslippers. Als grapje. Het tweede beeld zal van hout zijn en verbeeldt een vrouw die een Armlänge Abstand houdt (waartoe Keulse vrouwen door de burgemeester werden aangespoord na de incidenten met Oud en Nieuw – red.). Ze draagt alleen een beha. Dat vind ik altijd zo mooi kwetsbaar: een vrouw met alleen een beha aan.”
Volgens mij heb je niet eerder zulke politieke statements gemaakt in je werk.
“Nee. Maar het houdt me nu gewoon heel erg bezig.”
Hoe gaat het met dat andere project, de verfilming van Een schitterend gebrek van Arthur Japin?
“Het script is af, dus nu moet de poen nog worden geregeld. Maar de sterren staan goed.”
Het regisseren van een speelfilm is geen sinecure voor iemand met zo’n drukke agenda en een broze gezondheid.
“Nee, ik moet ook nog even kijken hoe ik dat ga managen. Als regisseur sta je zo vijf dagen per week, twaalf uur per dag op de set. En longemfyseem is ook deels een vermoeidheidsziekte. Dus ik ga daar ook heel eerlijk over zijn met de producent: ik weet niet of ik dat wel volhoud. Maar daar is vast wel een mouw aan te passen.”
Wat doe je als werken op een gegeven moment helemaal niet meer lukt?
“Dat weet ik niet. Ik weet wel dat ik het belangrijk vind dat iedereen moet kunnen beslissen over zijn of haar leven, zoals die vrouw van ‘Huppakee, weg’ in die documentaire over de Levenseindekliniek. Het is toch een groot goed dat je zelf kunt beslissen: nu is het mooi geweest? Ik weet ook niet hoeveel ellende ik kan incasseren. Niet veel, denk ik. Maar dan wil ik wel op een fatsoenlijke manier uit het leven stappen – niet door voor de trein te springen bijvoorbeeld.”
Heb je dan een euthanasieverklaring?
“Ik ben al jarenlang lid van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, heb de euthanasieverklaring al in 1989 ingevuld maar nooit opgestuurd. Die ligt dus nog ergens.”
Het is natuurlijk ook niet iets waar je graag over nadenkt.
“Nee. Ik vind het ook nog zo abstract. Ik zit nu eerst nog met een ander dilemma: mijn longarts heeft gezegd dat ik eens moet nadenken over een longtransplantatie. Nou, ik weet niet of ik dat ga doen.”
Waarom niet?
“Toen hij dat zei, was het eerste wat ik dacht: o god, dan krijg ik een litteken op mijn borst. Dat wil ik niet.”
Liever dood dan een litteken?
“Hmmmm… en ik heb ook geen zin om patiënt te worden. Mijn moeder is pasgeleden uit haar bed gevallen en snap: opeens zit je als 83-jarige met niet-aangeboren hersenletsel in een tehuis. Dat wil ik niet. Ik wil niet uitdoven als een kaarsje, daar is mijn leven te mooi voor geweest. Natuurlijk ben ik nog niet uitgedacht over wat ik ga doen als het echt niet meer gaat. Maar ik weet wel dat ik niet tot het eind van het padje ga lopen.”
De vraag is dan: waar ligt de grens?
“Het stomme is: ik kan over heel veel dingen nadenken, maar niet over mijn toekomst. Op een traplift moeten zitten is op een gegeven moment een nederlaag. Jezelf in een scootmobiel moeten verplaatsen ook. Maar dat went denk ik ook wel.” Lacht: “Ach, zolang ik maar niet dik word. Want dat zou ik het allerergste vinden.”/

De tentoonstelling Catwalk – Mode in het Rijksmuseum is nog tot en met 16 mei 2016 te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam.