Kroatië worstelt nog steeds met haar fascistische verleden

In de Tweede Wereldoorlog koos het Kroatische Ustasha-regime de kant van de nazi’s. In de jaren daarna werden er tienduizenden Roma, joden en Serviërs omgebracht in kampen, zowel in Kroatië als daarbuiten. Anno 2016 worstelt de jongste lidstaat van de EU nog steeds met dit erfgoed, en komen de spoken uit het gitzwarte verleden nog regelmatig voorbij.

Waar in Duitsland, Oostenrijk en nog een aantal andere Europese landen het uitbrengen van de Hitlergroet illegaal is, wordt met enige regelmaat de Ustasha-versie van de groet, Za dom Spremni (paraat voor het vaderland) gescandeerd in voetbalstadions. Het meest recente voorbeeld hiervan vond plaats op 23 maart jongstleden, toen een vriendschappelijke wedstrijd in de stad Osijek van het nationale team tegen -nota bene- Israël opgeschrikt werd door deze, en andere kreten (zoals het weinig aan de verbeelding overlatende: ‘Ustaše, Ustaše’).

‘Za dom spremni’ – fascistische kreet of patriottisme?
Terwijl joodse organisaties, maar ook gematigde Kroaten het voorval scherp veroordeelden, zien anderen het probleem van Za Dom Spremni niet zo, en wordt het vooral gezien als een patriottische kreet, waarvan er in de vaak sterk nationalistische landen op het Balkanschiereiland zoveel zijn. Afgelopen zomer gingen er bovendien stemmen op om de beladen uitroep te rehabiliteren als de strijdkreet van het Kroatische nationale leger.

Hoewel dit er niet bijster veel (zo’n drieduizend) waren, claimden de initiatiefnemers dat zich onder de stemmers een flink aantal prominente sporters, katholieke geestelijken en academici bevonden. Het voorstel werd direct verworpen door de Kroatische regering. Uiteraard is het verwerpelijke gedrag van een aantal extreem-nationalistische elementen of doorgesnoven ‘hooligans’ (zie: de recente gebeurtenissen in Brussel) bij lange na niet representatief voor de denkwijze van een land van vier miljoen inwoners, maar met het verwerken van het bloedige Ustasha-verleden is wel degelijk iets aan de hand.

Bloederig erfgoed
Zo is er nog steeds gesteggel over de hoeveelheid slachtoffers die vielen in het grootste kamp op het Kroatische Ustashagebied (ruwweg het huidige Kroatië, Bosnië-Herzegovina en delen van Servië, Hongarije en Slovenië): Jasenovac. Het merendeel van de slachtoffers in dit kamp betrof Serviërs, en na de oorlogen van de jaren negentig gebruiken beide kanten dit gegeven om hun eigen daden te rechtvaardigen of met de beschuldigende vinger naar de ander te wijzen. Schattingen lopen uiteen van twintigduizend tot meer dan een miljoen slachtoffers, hetgeen Jasenovac na Auschwitz het grootste vernietigingskamp zou maken.

Van tijd tot tijd wordt dit geruzie over de omvang van het bloederige Ustasha-erfgoed tot in de politiek aangewakkerd. Zo woonde de minister van cultuur van het land, Zlatko Hasanbegovic onlangs de vertoning van een controversiële Jasenovac-documentaire bij. In het werk, getiteld Jasenovac – the truth, wordt een slachtofferaantal van twintig-tot veertigduizend genoemd. Naderhand prees Hasanbegovic de film uitbundig.

Op de herdenkingsplaats van het kamp is bovendien een permanente fototentoonstelling te zien die volgens prominente Joodse organisaties sterk de indruk geeft dat de Kroatische regering Jasenovac als een werk-en doorvoerkamp wil tonen. “Er zijn geen doden te zien op de foto, het lijkt niet op een executiekamp,” aldus een woordvoerster van de joodse gemeenschap tegen Balkan Insight.

Voor de joodse organisatie is dit, en de recente gebeurtenissen, reden om de herdenking van de bevrijding van dit grootste Ustasha-kamp te boycotten. Het is nog maar de vraag of dit iets uithaalt. Terwijl overal in Europa de invloed van rechts toeneemt, spinnen nationalistische politici op de Balkan garen op hun eigen manier, door oude doctrines van zolder te halen.