Taalnazi’s, vrees de genadeloze wet van Muphry

De wet van Muphry: hij die kritiek op andermans schrijfsel levert, wordt door de taalgoden gedoemd zelf een taal-, tik- stijl- of grammaticale fout te maken. Of dit ironische noodlot uitsluitend beroepszeikerds als journalisten, eindredacteuren en proeflezers ten deel valt, specificeerde geestesvader John Bangsund in 1992 niet. Laten we aannemen dat ook de recreatieve kommaneuker – te vinden op feesten, partijen en in groepsgesprekken op WhatsApp – door de linguïstische bliksem getroffen kan worden. Iedere gecorrigeerde wil zijn corrector tenslotte zien branden.

Deze week circuleerde er op het open podium Internet een aantal resultaten uit een Amerikaans onderzoek naar de relatie tussen ‘persoonlijkheid’ en ‘waardering van een onverzorgde tekst’ – zonder twijfel gefundeerd op de aanname ‘taalnazi’s zijn gefrustreerde klotehonden’. Muphry sloeg ge-na-de-loos toe.

Voor het magere onderzoekje waanden 83 kandidaten zich een huurder op zoek naar een nieuwe huisgenoot (de oudste kandidaat was slechts 62 lentes jong) en waardeerden allen twaalf e-mails van belangstellenden: een aantal vol tikfouten, een aantal vol grammaticale fouten en wat foutloze. Ze vulden een persoonlijkheidstest in, er vond de nodige statistische kruisbestuiving plaats en er volgde een conclusie die de onderzoekers de moeite van publicatie had kunnen besparen: tikfouten en grammaticale oneffenheden hebben een negatieve impact op de waardering van een tekst.

De conclusies werden gretig geoogst en gezaaid door de Nederlandse media, de ene conclusie hysterischer dan de andere. ‘Wijs jij anderen op spelfouten? Dan ben je een onaangenaam mens’ generaliseerde RTL enthousiast. Want, wat was gebleken: minder aangename kandidaten bleken gevoeliger voor grammaticale fouten dan de meer aangename kandidaten. Het merendeel van de 83 kandidaten stoorde zich minder aan grammaticale fouten dan aan tikfouten. De redactie van de NOS zag ruimte voor interpretatie en vernederlandste de onderzoeksresultaten: ‘Liever een tikfout dan lijden in plaats van leiden’.

Muphry richtte de meeste schade aan in een artikel over dit onderzoek op Vice, maar die fouten zeeft u er zelf maar uit, want Muphry maakt geen uitzonderingen en ik ben als de dood voor boze mails van taalnazi’s en de grammaticagestapo. De auteur vervolgt met een warm pleidooi tegen taalverloedering, en één punt over onzorgvuldige grammatica biedt stof voor discussie: de minachting van ‘me’ als schrijfwijze van ‘mijn’, in 2015 uitgeroepen tot Stomste Woord van het Jaar door Instituut voor Nederlandse Lexicologie, en in het wild te aanschouwen op diverse sociale media. Tja.

Aaf Brand Korsticus betoogde in de Volkskrant al dat alleen ontalige mensen zich ergeren aan ‘me jas’. Haar vader Hugo geloofde niet in taalregels en wist: als iets logischer of makkelijker kan, gaan mensen het zeggen. Zeggen, en vervolgens schrijven. Over een jaar of wat is ‘me jas’ dus net zo ingeburgerd als ‘we vaarden naar de overkant’.

En trouwens, als de correcte tekst, vrij van welke fout dan ook, het uitgangspunt is, kunnen we het halve internet wel opdoeken. Ongeparfumeerder gesteld: iedereen die iets te zeiken heeft over andermans schrijfsels is een gefrustreerde klotehond, mijzelf incluis. Dat is overigens wetenschappelijk bewezen.

Foto: Flickr | Brett Jordan