Een liefdesverklaring aan Parijs – Roubaix 2016

Als je je televisie gistermiddag per ongeluk op NPO 1 of Sporza had afgesteld ben je nu voorgoed verloren: hopeloos verliefd op de koers.

Goedbeschouwd is Parijs – Roubaix een vreemd soort sportwedstrijd. Dunne mannetjes op dunne bandjes die fietsen over wegen die daar helemaal niet voor bedoeld zijn, die helemaal nergens voor bedoeld zijn, die een beetje wethouder van een middelgrote Nederlandse gemeente al lang had laten asfalteren; dat is vreemd. Elke volger wordt in de week voorafgaand aan Parijs-Roubaix bereden door de vraag ‘Ligt het nat of ligt het droog?’. Als het nat ligt, is dat goed nieuws. Als het droog ligt ook.
En de ondergrond? Die ligt er altijd weer slecht bij.
Of, in de woorden van Renaat Schotte, de correspondent in de Hel: ‘De volgende strook ligt er rot- en rotslecht bij.’
De koers een calvarietocht. Sport de hel.
Vreemd.
Veel wielerliefhebbers vinden Parijs-Roubaix helemaal niet vreemd. Zij beschouwen het als de wedstrijd van het jaar. Wielerliefhebbers zijn dan ook vreemde mensen. Als wielerliefhebbers van voetbal zouden houden, zouden ze het moddergevecht tussen Leyton Orient en Havant & Waterlooville de wedstrijd van het jaar vinden, en als wielerliefhebbers zich tot de atletiek zouden bekeren, keken ze vooral voor de waterbak uit de steeplechase. Vreemde dingen, daar krijgt de wielerliefhebber niet gauw genoeg van.

Een naam als een aambeienzalf
Van alle vreemdsoortige edities van het vreemde Parijs-Roubaix was de editie van 2016 met afstand de vreemdste. (Je hoort het meer, dat mensen – vaak stukjesschrijvers – geloven dat de laatste editie van het een of ander de mooiste is. Vaak is dat niet zo. Nu wel.)
Het begon er al mee dat Eurosport, de zender die ons de rubriek ‘Watts’ schonk, vol onder Smurfenhouse gemonteerde slowmotionbeelden van turners die in spreidstand op het paard landen en kunstrijdsters wier rokjes scheuren midden in een driedubbele Rittberger (LACHEN), dat datzelfde Eurosport de wedstrijd van start tot finish uitzond. Commentator Jeroen Vanbelleghem en analist Michael Boogerd begonnen er ruim voor de noen aan. Met de slaap nog in de ogen vlogen ze er onmiddellijk als gekken in, en de renners ook. Een beginnersfout, want waar coureurs die in het eerste uur door het beeld sprinten zelden de finish bereiken (OK, toegegeven, afgezien van de winnaar van gisteren dan, over wie later meer), moeten de integraal commentariërende commentatoren dik zes uur vooraan blijven rijden. Nog een gelukje dat ze bij Eurosport alle asfaltstroken opvullen met reclames voor baardverf, anders hadden we Jeroen en Michael al ver voor Carrefour de l’Arbre kunnen opvegen.
De koers dan. Vreemde wedstrijd, of wat dacht u? Er was een kopgroep, die zo lang vooruit bleef dat Michel Wuyts en Karl Vannieuwkerke tijd genoeg hadden om de werkzame levens van de ouders van de in de aanval aanwezige Vlamingen door te spreken.
‘Frederick Backaert. Zijn ouders baten een kaasboerderij uit.’
‘In Michelbeke is dat.’
‘De vader van Tim Declercq was docent logica.’
‘Klopt.’
‘Reinhard Janse van Rensburg.’
‘Een naam om graaf mee te worden.’
Ook voorop reed Imanol Erviti, een Bask. Zeg nooit Spanjaard tegen een Bask, want dan zit je dus helemaal verkeerd. Basken zijn Basken en Imanol Erviti is zelfs een in het lichaam van een Bask geboren nakomeling van Briek Schotte, met een voornaam als een aambeienzalf. Het was koersen met het hol open, dus vandaar.
En op naar de volgende strook. Stof vreten. Blijven rijden, want: ‘Deze koers is de koers van het blijven rijden.’ In andere koersen kun je er wel eens even mee ophouden maar niet in Parijs-Roubaix, o nee! Doorrijden zul je.
Bij de volgende kilometer hobbeldebobbelstenen gingen ze onderuit. Natuurlijk: tweehonderd mensen om het hardst door de Hel sturen, ja, dan kiepert er af en toe eentje in het vagevuur. Dit keer was het de Rus Porsev, die op de beslijkte kasseien zat en keek alsof hij zich het liefst a la minute zou laten omscholen tot imker. Even verderop zat een Spanjaard in het gras, z’n ziel als een oude pannenlap naast ‘m in de berm. Renners die om Porsev heen moesten, sprongen van de fiets en holden door de akker, als bankrovers op de vlucht.
En op kop reed Guillaume van Keirsbulck, met z’n uit marmer gehouwen naam.
‘Ik heb z’n grootvader nog gespot,’ zei Karl, ‘Willy, met z’n Mercedes op het parkoers.’
Je zag het meteen voor je: de oude Van Keirsbulck, in een nog oudere Mercedes: ‘Hoezo parkoers? Ik ben Willy van Keirsbulck, laat mij door!’ Zou me niets verbazen als hij een cowboyhoed droeg, de oude Willy.
Af en toe, als er even vijf minuten niets gebeurde, sprak Michel Wuyts op de kalme toon van iemand die dingen weet, zinnen als: ‘Niet weglopen’ of ‘Je voelt aan je ellebogen dat het gaat vibreren’.
Nou, dan blijf je wel opletten. We waren nog niet eens in het Bos van Wallers geweest, een met keiharde mosselen bestraat bospad waar je met een tank niet eens ongeschonden doorheen komt.
‘Renaat wil absoluut een ei leggen. Kom er maar in, Renaat!’
‘Tweeduizend vierhonderd meter rotstenen,’ vibreerde Schotte de huiskamer in.
Het peloton was nog ongeveer zes man groot. En Tom Boonen zat er nog bij. Tom Boonen, God van Vlaanderen. Wuyts, bekend Booneniaan, had zich even kunnen bedwingen, maar liet het in de slotfase helemaal gaan.
‘Tom ziet er katachtiger uit dan de voorbije jaren. Daar komt hij. Hij kan het niet laten. Rustig Tom, rustig Tom, rustigrustigrustig! Hij wil zo graag, o, wat wil hij graag, oeioeioeioei, hij speelt met de pedalen, en wat zou het mooi zijn, zie hem nu zitten als een fruitvliegje op de rug van sterke Tony Martin.’ Enzovoort.
Ha, daar was Jasper Stuyven. ‘Jappe met zijn chocoladezaak.’
In de berm stond een blaaskapel te blazen, maar dat kon niemand wat schelen. Wij keken naar Popvych, die ieder moment zijn drilboor boven kon halen, naar twee- en driesterrenstrookjes en naar de aanloop naar Mons-en-Pévèle.
Pevelenberg.
‘In iedere bocht ligt wel een steentje dat kromme dingen met een mens kan doen.’
Daar, op een van de meest barbaarse stukjes bestrating van West-Europa, gleed Fabian Cancellara onderuit, als een oud dametje op een glibberig zebrapad. Cancellara reed een van zijn laatste koersen, en viel daar nu zomaar opeens uit weg. Later in de koers kwam hij nog een enkele keer in beeld: een drenkeling op zoek naar een stuk wrakhout. Niki Terpstra viel over hem heen, met zijn smikkel in de modder, en verdween in een ziekenwagen. En Peter Sagan, die een hele dag achter de feiten aanreed (vreemde uitdrukking, alsof het achter de feiten aanrijden zelf niet ook een feit is, maar goed), zweefde als de petemoei uit Assepoester over de gevallen renners. Als Banksy zoiets doet, schrijf je: Art. Als Hans Klok zoiets doet, zeg je: ‘Je staat er met je neus bovenop, maar je weet niet hoe ie het doet.’ En als Peter Sagan zoiets doet, twitter je: ‘AAAAAHHHHHHH WTF!’
Sagan zou uiteindelijk elfde worden, ver achter de feiten. Of zo.

Jongejongejongejongejonge
Met de vermoeidheid namen de valpartijen toe.
Met name de renners van Sky kukelden een voor een omver, Luke Rowe werd zelfs over een liggende ploeggenoot gekatapulteerd, als een deelnemer aan een Japanse tv-spelshow.
En toen waren we er.
‘Het Carrefour! We zijn er!’
‘Vijf sterren! Cinq étoiles!’
‘Sep!
‘Sep! Vanmarcke! Daar gaat hij!’
‘Dwars door een put!’
‘Jongejongejongejongejonge!’
‘Renaat?!’
‘Renaat, wat zie je?!’
‘Hayman! Hayman stuurt naar rechts. Hayman schoorvoetend naar rechts! Jongens, rechts! Ah ja, een bocht.’
En zo bleven er vlak voor de wielerbaan vijf mannen over. Twee Belgen, een Brit, een mollige Noor en een Australiër die al de hele dag voorop lag en zodoende onmogelijk kon winnen. De laatste drie kilometer verliepen ongeveer als volgt:
‘Sep!’
‘Pas op!’
‘Sep! Sep! Gaan! Ga nu!’
‘Komaan! Kom! Aan!’
‘Tom Boonen!’
‘TOM!’
‘Hij is piependood!’
‘Ze zijn allemaal piependood!’
‘Tien meter! Elf meter! Twaalf meter!’
‘Negen meter!’
‘Doorgaan nu!’
‘Doorgaan nuuuuuuu! Hopsakee!’
Het werd sprinten. De stem van Wuyts huppelde een paar toonladders omhoog.
‘O! O o o o o!’
‘Aiaiai! Ai ai ai ai ai!’

Te veel
Matthew Hayman won. Een Australische Nederlander met een kop als een kassei. Zijn gezicht vertrok, als van de man die zojuist een dag in de hel heeft doorgebracht en dan opeens een nat washandje voelt.
Het verschil was een meter of twee. Of, in de lengtematen van het Vlaamse wielercommentaar, ‘een velo’.
‘Hoe bitter,’ mompelde Michel Wuyts. ‘Hoe bitter dit verlies. Relativeren is onmogelijk.’
‘Een zak met ijsblokjes op het hoofd van alle landgenoten,’ gruwelde Vannieuwkerke.
Het duurde 7,5 minuut alvorens Fabian Cancellara op de wielerbaan verscheen. Hij wuifde, greep een Zwitserse vlag uit het publiek en gleed nog maar eens onderuit. Misschien was het maar beter zo. Misschien was het maar beter dat de gedroomde winnaar niet ook nog won. Het zou te veel zijn geweest. Te veel van het geweldige.

PS
Een minuutje voor Cancellara verscheen Maarten Tjallingii op de baan. Ook Maarten Tjallingii stopt een dezer dagen met wielrennen. In zijn laatste Parijs-Roubaix werd hij in stilte 27e.
Sinds zaterdag weet ik dat Tjallingii in het Indiaas zoiets betekent als ‘Vooruit, we gaan.’ Stond in de krant.
Weinig mensen weten dat “Maarten” in het Indiaas “in godsnaam nog een jaartje door” betekent. En dat je namen van sporters in India altijd van rechts naar links moet lezen.