Verwar het glazen plafond niet met het baringspotentieel van vrouwen

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in hoge functies. Komt dat door een old boys network? Welnee, concludeerde De Feitenfirma uit de cijfers.

Vrouwen verdienen minder dan mannen in dezelfde baan. Vrouwen krijgen minder carrièrekansen. En vrouwen zijn zeer matig vertegenwoordigd in de top van zowel bedrijfsleven als wetenschap. En dat komt allemaal door mannen, die hun geslachtsgenoten aan de goede baantjes helpen.

Bovenstaande veronderstellingen beheersen al jaren, als waren ze feiten, de discussie in de media en in de politiek. Maar het zijn overwegend veronderstellingen; de échte feiten nuanceren het dominante beeld.

Op voorhand excuses aan de vrouwelijke lezers: ik ben een man, geheel buiten mijn schuld: het overkwam me. Zou ik als man een jaar of honderd geleden geboren zijn, dan was ik guilty as hell.

De vrouw was – bij wet geregeld – aan mij als man ondergeschikt. Ze had geen stemrecht. Trouwen en kinderen krijgen betekende sowieso verlies van baan, al was het dan meestal een baan zonder aanzien. Scholing werd voor vrouwen nauwelijks van belang geacht. Als je als vrouw het huishouden maar onder de knie had, dan was je klaar voor het huwelijk en de rol die wij mannen voor je bedacht hadden. Wij zagen dat het goed was. Het was altijd zo geweest en if it ain’t broke, don’t fix it.

De eerste slag verloren de mannen met de grondwetswijziging van 1917 waarin het algemeen kiesrecht werd ingevoerd, zij het passief voor beide seksen en actief alleen voor mannen. In september 1918 diende Kamerlid Hendrik Pieter Marchant een initiatiefwet in – het jaar erop aangenomen – die regelde dat ook vrouwen actief kiesrecht kregen. In datzelfde jaar werd Suze Groeneweg (SDAP) het eerste vrouwelijke lid van de Tweede Kamer.

Op basis van een Europese richtlijn van 1976 kwam er pas op 1 maart 1980 in Nederland de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Vanaf die tijd was een gelijk speelveld voor mannen en vrouwen in de wet verankerd. Op onderwijsgebied nam de gelijkheid toe vanaf 1871, toen Aletta Jacobs als eerste vrouw in Nederland werd toegelaten tot een universiteit. Aletta was zeventien jaar en zat nog op school toen ze minister-president Thorbecke een brief schreef. Ze vroeg ‘toegang tot academische lessen’, want ze wilde dokter worden. Thorbecke antwoordde binnen een week. Hij schreef haar vader dat het goed was. Door Aletta’s brief gingen de Nederlandse universiteiten open voor meisjes. Van zulke invloed kan Mark Rutte alleen maar dromen.

Op 8 maart publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een persbericht met de kop ‘Jonge vrouwen vaker hoogopgeleid dan jonge mannen’.

De bij het persbericht gepubliceerde grafiek spreekt boekdelen. Van de vrouwen in de leeftijdscategorie 70-74 jaar zijn slechts twaalf procent hoogopgeleid. Voor mannen in dezelfde leeftijdscategorie is dat percentage ongeveer het dubbele.

In dezelfde leeftijdscategorie is ongeveer 25 procent van de vrouwen middelbaar opgeleid, en 38 procent van de mannen.

Hoe anders is dat met de mannen en vrouwen in de leeftijdscategorie 30-34 jaar. De vrouwen in die groep zijn nu voor bijna vijftig procent hoogopgeleid; de mannen blijven achter, met ongeveer 43 procent hoogopgeleiden.

Die trend is er al jaren en als ik – als borrelpraat – vrouwelijke gesprekspartners op de kast wil jagen, hoef ik alleen maar te zeggen dat het een enorme kapitaalvernietiging is. Leiden wij mensen op om alleen maar zelf lekker in hun vel te zitten of is het de bedoeling dat de investering in onderwijs rendeert? Mogen we dat als eis stellen?

Want wat al te makkelijk als glazen plafond wordt weggezet is maar al te vaak niet meer of minder dan een keuze die vrouwen na hun studie samen maken, meestal in samenspraak met hun partner, doorgaans getriggerd door gezinsvorming.

Wat vrouwen uniek en anders maakt is – plat gezegd, maar daarom niet minder waar – hun baringspotentieel. Hoogleraar en demograaf Jan Latten van het CBS vertelt al jaren wat door tal van onderzoeken wordt bevestigd: vrouwen in Nederland werken overwegend in parttimebanen. Een keuze die vrouwen in overleg met hun partner zélf maken. Een in deeltijd werkende vrouw en een voltijd werkende man is het meest voorkomende model in ons land. Daar komt dwang noch tegenwerking bij kijken. Latten zei een aantal jaar geleden in de NRC: “Vijf dagen werken, carrière maken en een hoog salaris zijn de normen voor emancipatie. Maar vrouwen hechten daar zelf minder belang aan dan mannen. Moet je die hoge ambities op het gebied van arbeidsparticipatie dan wel als norm nemen?” En in het blad Demos zei hij al in 2007: “Als je het per leeftijdscategorie bekijkt, krijg je een ander beeld. Van de vrouwen tussen 25 en 35 jaar werkt bijna driekwart. De arbeidsparticipatie van jonge meiden is juist weer heel laag: nog geen veertig procent werkt. Maar dat komt doordat ze vaak nog een opleiding volgen. Een belangrijke ontwikkeling is dat de onderwijsprestaties van vrouwen de afgelopen jaren enorm zijn gestegen. Het lijkt er zelfs op dat jonge vrouwen de mannen voorbijstreven. Die generatie hoogopgeleide vrouwen zal dat kenniskapitaal straks te gelde willen maken op de arbeidsmarkt. Bovendien zullen deze vrouwen hogere eisen stellen aan hun partner als het gaat over de verdeling van het huishouden en de zorg voor kinderen.”

Latten voorzag dus al in 2007 wat zijn werkgever, het CBS, in 2016 als feit kon presenteren. Ook kreeg hij gelijk over de veranderende taakverdeling tussen beide partners in het huishouden en wat betreft de kinderen. Maar een trendbreuk is nog ver weg. Terwijl mannen steeds vaker dergelijke taken uitvoeren, zijn vrouwen met een gezin niet vaker en vooral ook niet langer gaan werken. Intussen staat het wel vast dat een gezin volledige participatie in de arbeidsmarkt in de weg staat, los van de vraag hoe partners het werk in hun gezin verdelen.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) publiceerde een onderzoek (meetpunt: 2011) naar het aantal uren dat personen ouder dan twaalf jaar wekelijks kwijt waren aan verplichte uren, waarbij onderwijs, zorg, huishouden en werk werden opgeteld. Ouders met kinderen in de leeftijdscategorie van nul tot drie jaar hadden wekelijks 59 van die uren. Alleenstaanden zonder kinderen hadden daarentegen slechts 31,5 verplichte uren. Naarmate de kinderen ouder worden, wordt het minder, maar zeker in de eerste paar jaar ontkom je niet aan de drukte. In die periode blijft de man vaak de meeste uren werken en de vrouw gaat minder werken. Daar komt – in elk geval in die fase – geen glazen plafond aan te pas.

Over 2012 publiceerde het CBS zijn periodieke rapport Sociaaleconomische trends. Een citaat: “De meeste werknemers zijn tevreden met de omvang van hun dienstverband. Ruim zes op de tien werknemers tussen de 25 en 65 jaar wil niet meer en ook niet minder uren werken. Ruim een kwart zou liever minder uren willen werken. Eén op de acht werknemers wil zijn contract wel uitbreiden. Vooral werknemers met een kleine deeltijdbaan, werknemers die aangeven dat ze regelmatig geld tekort komen en alleenstaande moeders willen vaak meer werken.”

Onder deze groep vallen ook de vrouwen die willen terugkeren naar de arbeidsmarkt (ofwel meer willen gaan werken) als de kinderen ouder worden. Voor het merendeel van deze vrouwen geldt dat overigens niet; die behouden hun voorkeur voor parttime of helemaal niet werken.

Komt daar het glazen plafond dan wel in beeld? Van het veronderstelde old boys network lijkt in elk geval geen sprake te zijn. Werknemers die er een aantal jaren ‘uit’ zijn geweest of in een minder veeleisende deeltijdbaan hebben gezeten, zullen immers een probleem hebben als ze voltijds willen terugkeren en zich willen kwalificeren voor de betere (laat staan top-)banen. Ook hier is er geen verschil tussen man en vrouw.

Volgens de statistieken nemen de kansen van mensen die onvrijwillig zonder baan zitten (werklozen) op werk al af als ze een halfjaar weg zijn geweest van de arbeidsmarkt. Werkgevers kiezen nu eenmaal liever voor iemand die van baan naar baan gaat en zijn of haar ervaring op peil heeft gehouden. Man of vrouw maakt daarbij niet uit. Dan is het niet vreemd dat vrouwen – moeders – die na jaren willen terugkeren, het niet makkelijk hebben.

Als opleiding ertoe doet – en daar lijkt het op, althans, we zetten er als maatschappij vol op in – dan is het niet zo vreemd dat er in raden van commissarissen en besturen van grote ondernemingen nog relatief weinig vrouwen zitten. Uit het Nationale Commissarissen Onderzoek van Nyenrode in 2012 blijkt dat slechts veertien procent jonger dan vijftig jaar is; vijftig procent is ouder dan zestig. 23 procent is vrouw. Van alle commissarissen heeft 79 procent een universitaire opleiding gevolgd; achttien procent heeft hbo gedaan.

Uit het eerder genoemde onderzoek van het CBS kunnen we afleiden dat er in de hogere leeftijdscategorie – kennelijk is dat een selectiecriterium bij commissarissen – -eenvoudigweg (nog) een te klein aanbod van vrouwen is met voldoende vooropleiding.

Dat probleem zal vanzelf opgelost worden, nu de vrouwen van de jongere generaties niet meer lager opgeleid zijn dan de mannen. Het zou sneller kunnen als bedrijven op zoek gaan naar jongere commissarissen en hetzelfde zal opgaan voor besturen. Een probleem daarbij is dat langjarige ervaring daar vaak het primaire selectiecriterium is; leeftijd zal dus altijd een rol spelen./