Waarom het gelijk van Breivik een overwinning voor de Noorse rechtsstaat is

De rechtszaak die massamoordenaar Anders Breivik startte tegen de Noorse staat vanwege vermeende ‘mensenrechtenschendingen’ deed ontzettend veel stof opwaaien. Nog groter was de verontwaardiging toen de rechters hem woensdag (gedeeltelijk) in het gelijk stelden: Breivik mag voortaan bezoek ontvangen van zijn ‘vriendin’ en zijn isolatieregime wordt versoepeld.

Vooropgesteld: die verontwaardiging is voorstelbaar. Want waarom zou een dergelijk monster, dat zoveel jonge mensen het leven zo bruut en zonder enige wroeging achteraf ontnam, überhaupt nog rechten hebben? De onderbuik schreeuwt om genadeloze wraak, maar de Noorse rechtsstaat is het monster erkentelijk. Dat is in eerste instantie moeilijk te verkroppen. Maar na het terzijde schuiven van die wraakgevoelens wordt het bovenal een overwinning voor de Noren en hun rechtsstaat, die ook voor de meest verachtelijke terrorist geen uitzondering maken.

Want Breivik wilde die 22ste juli in 2011, de dag waarop hij een bomaanslag in Oslo pleegde en een bloedbad aanrichtte op het eilandje Utoya, niets liever dan een martelaar worden. Dat blijkt zowel uit zijn Youtube-videotestament als zijn uitgebreide manifest, waar hij meerdere malen het martelaarschap zegt te ‘omarmen’. Zijn motivatie voor zijn daden: het stoppen van de islamisering van Europa en de invloeden van het ‘cultureel Marxisme’ dat volgens zijn denkbeelden de christelijke identiteit van Europa – Breivik identificeerde zichzelf als christen – om zeep zou helpen.

Maar in plaats van dit martelaarschap kreeg Breivik een eerlijk proces, een eigen cel (vanwege zijn eigen veiligheid zonder contact met andere gevangenen), een Playstation (een verouderd model weliswaar, maar toch) en hield hij bovenal zijn mensenrechten. Vervolgens gebruikte hij die rechten om te klagen over de ‘onmenselijke omstandigheden’ van zijn gevangenschap. Volgens Breivik, die zich naar eigen zeggen sinds zijn hechtenis begon als een modelgevangene heeft gedragen, wordt zijn privacy geschonden door hem 22 á 23 uur per dag in volledige isolatie te houden en zijn er geen pogingen ondernomen om het regime te versoepelen.

“Het verbod op onmenselijke behandeling is een fundamentele waarde in een democratische samenleving. Dit geldt ook bij de behandeling van terroristen en moordenaars,” zo oordeelde rechter Helen Andaneas Sekulic in de uiteindelijke uitspraak. Die mening wordt ook gedeeld door Utoya-overlevende Bjorn Ihler: “Ik denk dat de uitspraak laat zien hoe sterk verankerd het idee van gelijkheid binnen de Noorse staat is, zelfs in het geval van onze ergste terrorist.”

Moedige woorden, zeker uit de mond van een direct slachtoffer van de gewetenloze massamoordenaar. De kracht van de uitspraak schuilt hem in het niet onderkennen van Breivik’s uitzonderingspositie. Breivik, die zo ontzettend vol van zichzelf en zijn ‘heilige missie’ is, is niet speciaal voor de Noorse wet. Hij is een gevangene zoals alle anderen in Noorwegen en heeft het recht om te klagen wanneer hij zich geschonden voelt in zijn mensenrechten.

En met dat gegeven in het achterhoofd is het verkregen gelijk van Breivik misschien een klein beetje beter te verteren. Laat hem zijn rechten en zijn playstation behouden, de Noorse rechtsstaat buigt niet voor onderbuikgevoelens. En daarmee zorgt het in het gelijk stellen van een narcistische massamoordenaar – hoe tegenstrijdig ook – tegelijkertijd voor een grote middelvinger in diens gezicht.