Denker des Vaderlands Marli Huijer over Palmen, Wainwright en Dolan

April is traditiegetrouw de Maand van de Filosofie. Denker des Vaderlands Marli Huijer (1955) denkt niet alleen – ze leest, ziet en luistert ook van alles.

Boeken
“Mijn huis ligt vol met opengeslagen boeken, en ik lees ze allemaal tegelijkertijd door elkaar heen.
“Ik heb in ieder geval altijd een boek voor in bed. Op dit moment is dat De zwarte Napoleon van Vamba Sherif, dat vertelt over de dertienjarige Zaiwulo die met zijn vader en moeder in het oerwoud woont. Op een dag neemt zijn vader hem mee naar het hof van een geleerde en laat hem daar achter. Het boek vertelt hoe hij een geleerde, maar vooral ook een krijger wordt.
“Het verhaal speelt zich af aan het eind van de negentiende eeuw in West-Afrika, waar op dat moment enorme stammenoorlogen woeden. Er zit veel oorlog in het boek. Het is soms net een Grieks epos. Wat het boek zo goed maakt is dat je alles vanuit het perspectief van die jongen ziet: de rol van de islam, van de buitenlandse kolonisten, hoe de ene stad opeens gaat samenwerken met de Engelsen en de andere stad met de Fransen. Het geeft een indringend beeld van het leven in dat gedeelte van Afrika in die tijd.

“Een ander boek waar ik ’s avonds graag in lees is Dijk van H.M. van den Brink. Dat boek gaat over een zekere Karl Dijk, die ijkmeester is. Een ijkmeester reisde rond om gewichten te controleren, om te kijken of de kilo die de groenteboer op zijn weegschaal gebruikt wel echt een kilo weegt, en of de gewichten – soms door roest aangetast – misschien niet opnieuw geijkt moesten worden. Daarvoor las ik Jij zegt het van Connie Palmen. Wat een prachtig boek is dat trouwens, echt elke zin is poëzie. Terwijl Dijk helemaal los is van elke pathos, een en al rationaliteit. Het is bijna een vrouwelijke dionysische schrijfstijl versus een mannelijke apollinische schrijfstijl.
“Ik ben nu net begonnen in Tussen de wereld en mij van Ta-Nehisi Coates. Ik kreeg dat boek van iemand opgestuurd omdat ik als filosoof veel met het thema ‘tussendenken’ bezig ben. Over dat wat tussen ons is. Het boek is een lange brief die de auteur aan zijn zoon schrijft, waarin hij zichzelf hardop vragen stelt als: hoe is het eigenlijk om als zwarte door het leven te gaan en dagelijks geconfronteerd te worden met eeuwenoude vooroordelen? Iedereen leert: wit staat voor positief, zwart staat voor negatief. Zelfs in de ict-wereld zie je het: een wit tekentje is goed, een zwart tekentje slecht. Achter dat soort kleine dingen zit een hele geschiedenis van onderscheidende elementen die maken dat wij op een bepaalde manier naar elkaar kijken. Om een voorbeeld te noemen: iemand met zwart haar noem je niet snel een zwarte jongen, maar iemand met een donkerbruine huid wel. Dat zijn aanduidingen die wij bedacht hebben om de ander zijn plek in de samenleving te wijzen. Als ik in de huid mag kruipen van een ander die zich bewust is van deze verschillen en mij daardoor kan laten zien hoe zijn wereld eruitziet, dan vind ik dat een voorrecht. Daardoor besef je dat het niet alleen van jezelf afhangt wat je doet en kunt doen, maar minstens zoveel van de context. De illusie die wij nu hebben dat we vluchtelingen een briefje geven dat ze homo’s moeten accepteren en dat ze dat dan ook doen, is natuurlijk belachelijk. Eerst moet die context veranderen.”

Muziek
“Ik ben een veelvraat wat betreft muziek. Ik luisterde graag naar punk, maar hou ook van zware klassieke stukken – en veel daartussenin. Mijn laatst aangeschafte album is Arvo Pärt – Für Anna Maria, Complete Piano Music van Jeroen van Veen. Dat heb ik gekocht na het concert dat hij samen met zijn vrouw gaf in het Concertgebouw. Ze speelden de muziek van Arvo Pärt en Ludovico Einaudi, vrij minimalistische muziek. Ze hadden voor het concert de stoelen uit het middengedeelte van de zaal weggehaald. Iedereen was uitgenodigd om een slaapmatje mee te nemen zodat je liggend, terwijl er op het plafond een fantastische lichtshow werd getoond, naar het pianospel kon luisteren. Een maand daarvoor was ik bij een concert van punkgroep The Stranglers, ergens in een donker theatertje in het land… Ik weet de plaats niet eens meer. Dat is natuurlijk iets heel anders dan de zoete klanken van Pärt, maar ik geniet van allebei evenveel.
“Bij mij werken dingen op tijd. ’s Ochtends wil ik klassieke muziek horen, ’s middags en ’s avonds luister ik naar moderne muziek. Als ik ’s ochtends klassieke muziek luister dan is dat vaak Schubert, zowel zijn liederen als zijn pianoconcerten. Zijn melodielijnen maken je vrolijk en treurig tegelijk. Het verveelt nooit. Rufus Wainwright is mijn favoriet voor de middag. Jeetjemina wat een goede stem heeft hij, ondanks dat hij rookt. Ik vind zijn composities, gepaard met verhaaltjes over het gezinsleven, hoe hij met zijn zusje aan de piano zit, heerlijk om naar te luisteren. Gewaagd soms ook. Neem een lied als Agnus Dei. Dat is bijna sacraal en tegelijkertijd heeft het iets blasfemisch. Ik vind die mengeling van wat mag en wat niet mag erg mooi. En het is ook muziek – ik zing zelf graag, ik heb op zangles gezeten – die je kan meezingen.
“Townes Van Zandt. Daar kan ik ook een hele avond naar luisteren. Zijn countryachtige nummers zijn niet per se mooi gezongen, maar wel met een enorme overtuigingskracht. Gillian Welch staat ook vaak op. Haar muziek is een beetje een mengeling tussen bluegrass en americana. Als je goed oplet hoor je hoezeer ze heeft nagedacht over de accenten die ze in de woorden legt, en hoe ze die moet combineren met de zanglijn. Je hoort dat ze eindeloos heeft geoefend. Ik hou daar wel van, van mensen die eindeloos schaven en oefenen om een lied te perfectioneren.”

Kunst
“Ik hou van moderne, hedendaagse kunst. Meer dan van oude meesters. Alhoewel ik Late Rembrandt in het Rijksmuseum wel gezien heb.
“Meestal laten mijn man en ik ons op een zaterdagmiddag leiden door het toeval. Dan rijden we naar een museum toe en dan zien we wel welke tentoonstelling er te zien is. Ik informeer vrijwel nooit van tevoren. Wat dat betreft ben ik echt een postmoderne, hedendaagse consument die helemaal niets meer plant.
“Museum De Pont in Tilburg vind ik een prettig museum. Alleen het gebouw al, een voormalige wolspinnerij, geeft veel sfeer. En het is overzichtelijk – ook fijn. Ik hou niet zo van grote musea. Ik bezoek liever één tentoonstelling intensief – door er goed de tijd voor te nemen en erover te lezen – dan dat ik bijvoorbeeld in één middag alle etages van Tate Modern in Londen bezoek.
“Beelden aan Zee in Scheveningen is ook een fijn museum. Zeker in het voorjaar is het heerlijk om daar rond te struinen. Vanaf de beeldenterrassen kijk je zo naar de zee. O, en het Kröller-Müller Museum in Otterlo moet ook even worden genoemd. Ik vind dat ze daar altijd heel mooie tentoonstellingen hebben, zoals nu de tentoonstelling Barbara Hepworth – Sculpture for a Modern World. Barbara Hepworth is een van mijn favoriete kunstenaressen. Ze woonde lange tijd in St Ives, een kleine kunstenaarsplaats in het zuidwesten van Engeland. Daar had ze ook haar atelier waarin ze bij een brand, waarschijnlijk veroorzaakt door een sigaret, om het leven is gekomen. Dat huis en dat atelier vormen tegenwoordig het Barbara Hepworth Museum and Sculpture Garden. In de beeldentuin staat een prachtig beeld van twee rechtop staande platen met een groot gat erin waarop dwars weer twee dezelfde platen zijn gestapeld. Als ik het me goed herinner, is het gemaakt van koper. Ik heb het beeld toevalligerwijs al vaker gezien. De eerste keer was toen mijn kinderen nog klein waren. We hebben nog een foto waarop ze allebei in dat beeld poseren. Een jaar of vijftien later ben ik met mijn zoon nog eens teruggeweest naar dat museum en hebben we de foto nog eens gemaakt. Wat ik zo mooi vind aan haar werk is dat ze dingen met elkaar combineert die in eerste instantie niet bij elkaar lijken te passen. Bijvoorbeeld: natuur en technologie. Koper is een natuurlijk materiaal, maar het wordt tegelijkertijd voor veel technologische dingen gebruikt. Voor een filosoof zijn dat de leukste kunstwerken, die je aanzetten tot nadenken: waarom maken we eigenlijk onderscheid tussen natuur en technologie? Het materiaal laat zien dat dat helemaal niet hoeft. Ik denk dat het dat is wat ik vaak leuk vind aan kunst: het stelt concepten waarmee wij werken ter discussie.
“Een andere favoriet is Louise Bourgeois. Het mooiste kunstwerk dat ik ooit heb gezien is van haar. Het is een installatie en heet Red Room (Parents). De slaapkamer van haar ouders. Het werk bestaat uit een serie donkereiken deuren die in een cirkel in een ruimte staan. Tussen die deuren zitten kieren. Als je door die kieren naar binnen kijkt, zie je de slaapkamer van haar ouders. Je moet dan wel weten dat haar ouders altijd ruzie hadden en dat haar vader jarenlang een buitenechtelijke relatie heeft gehad met het kindermeisje. En zij zat daar al die tijd tussen. Die onderdrukte erotiek – seksuele verlangens, geheimen die niet mogen uitkomen – vind je voortdurend terug in haar werk.”

Theater
“Theater is er, nu ik er een jaar denkerschap op heb zitten, echt bij ingeschoten. En dat vind ik ontzettend jammer, want ik vind theater fantastisch. Eerlijk gezegd is de laatste voorstelling die ik heb bezoekt de kerstvoorstelling die mijn zoon en zijn vriendin met de Amsterdamse Jeugdtheaterschool in de de Stadschouwburg hebben gebracht. Kort daarvoor ben ik naar de voorstelling Ben & Badr op vakantie in Nederland van theatermaakster Ilrish Kensenhuis geweest. Ben, Badr en Mo (gespeeld door Soufiane Moussouli, Sidar Toksöz en Dwight Breinburg) gaan voor het eerst samen op vakantie. Het liefst willen ze naar Marokko, het land van hun voorouders. ‘Want daar horen we!’ Maar niet alles loopt zoals gepland, en uiteindelijk eindigen ze in een tentje op Schiermonnikoog. Want die broers horen natuurlijk gewoon in Nederland. Het was een ontzettend grappige voorstelling met veel dans en muziek. Ilrish Kensenhuis is iemand om in de gaten te houden.”

Film
“De laatste film die ik heb gezien is Carol. Cate Blanchett speelt de titelrol. De film is gesitueerd in de jaren vijftig en vertelt het verhaal van twee vrouwen die, in een tijd en een omgeving waarin dat nog niet wordt geaccepteerd, een relatie met elkaar krijgen. De man van Carol accepteert niet dat ze een lesbische relatie krijgt met Therese. Hij dreigt dat zij de voogdij over hun kind verliest als ze hem verlaat. Dat zit Carol dus niet helemaal lekker. Vervolgens blijkt dat Therese ondertussen ook nog gewoon met mannen naar bed gaat – nog een gegeven waardoor ze aan die relatie gaat twijfelen. Kortom: de film vertelt het verhaal van mensen die hun ‘natuurlijke’ aard willen volgen, maar dat doen in een omgeving die dat niet accepteert.
“In Laurence Anyways van mijn favoriete regisseur Xavier Dolan speelt dat thema ook een belangrijke rol. Laurence is een getrouwde man die besluit als vrouw door het leven te gaan, maar hij wil tegelijkertijd ook de echtgenoot van zijn vrouw blijven. En die vrouw wil dat niet. Die wil gewoon een man. Maar hij blijft van haar houden en kan haar maar niet loslaten. Hij wil dus vanuit zijn autonomie een nieuwe identiteit aannemen, zonder daarbij rekening te houden met wat zijn omgeving daarvan vindt. Aan de andere kant verwacht hij wel dat die omgeving zonder horten en stoten meegaat in die keuze. Dat geeft conflicten.
“Een van mijn lievelingsfilms is het deels autobiografische J’ai tué ma mère, ook van Dolan. Het gaat in het kort over een zeventienjarige jongen die worstelt met zijn homoseksualiteit en de relatie met zijn moeder: ze schreeuwen de hele dag tegen elkaar. Wanneer de situatie uit de hand dreigt te lopen, stuurt ze hem naar een internaat. Puur uit liefde, omdat ze het beste met hem voorheeft. Deze film doet wat goede literatuur ook doet: het geeft je de mogelijkheid je te verplaatsen in zowel die puberende jongen als in de alleenstaande moeder die met dat zorgenkind zit.
12 Years a Slave is ook zo’n film die je de mogelijkheid biedt je in te leven in iemand die ver van je af lijkt te staan. Er is in Nederland nu veel discussie over het slavernijverleden en hoe we daarmee om moeten gaan. Moet Zwarte Piet nu zwart blijven of niet? Zo’n film levert via een omweg een belangrijke bijdrage aan dat debat. De slaaf – een ver van je afstaand, in het verleden levend, mogelijk door je voorouders gebruikt object – wordt opeens een mens van vlees en bloed die helemaal niet ver van je afstaat. Die je zelf zou kunnen zijn. De hoofdpersoon is een man die in gegoede kringen verkeert, maar vanwege zijn huidskleur gevangengenomen wordt en als slaaf wordt verhandeld. Het verhaal is nog waargebeurd ook. Dat maakt die film extra bijzonder.”

Meer leuke content? Like ons op Facebook