Hoe een sceptische millennial werd gevangen door de magie van Prince

Sziget festival, augustus 2011, Boedapest. Die zomer verruilde Amy Winehouse het tijdelijke voor het eeuwige. Met als directe gevolgen een enorm gat in de headline van het festival, en de verkoop van ludieke t-shirts met de tekst ‘They tried to make me go to Sziget, but I said no, no, no’. In plaats van Winehouse stond daar opeens Prince op het affiche.

Een artiest waar ik niets mee had, hij was – zoals vaders dat wel eens zeggen – van ‘voor mijn tijd’. Ik kende misschien twee nummers van de man, wist dat hij doorgaans een eng snorretje, plateauzolen en een overdaad aan make-up rockte, en daarmee weg leek te komen. Enige legitimiteit kende ik hem dus wel toe, maar ik vond hem eigenlijk vooral een obscuur overblijfsel uit de jaren tachtig, een tijdperk waarvan ik slechts het laatste half jaar als krijsende zuigeling meemaakte.

Maar ik kon het niet fouter hebben. Wat in die dik twee uur op die dorre vlakte gebeurde heeft geen enkele artiest in mijn ogen ooit overtroffen, en dit zal hoogstwaarschijnlijk ook nooit gebeuren. Zijn bizar gevormde gitaar als intergalactische hemelbestormer gebruikend, speelde hij die zomernacht alle sterren van de Hongaarse hemel.

Moeiteloos laveerde Prince van solo naar solo, van funk naar rock via r&b naar gelikte popballads. Met als persoonlijk hoogtepunt een 25 minuten durende versie van Purple Rain (een van de twee nummers die ik van hem kende), die geen seconde verveelde en tot tranen toe roerde. Met vlagen klinkend als de psychedelische liefdesbaby van Jimi Hendrix en Sly Stone en vergezeld door een meer dan excellente achtergrondband, blies hij mij en ongetwijfeld een hele hoop andere sceptische millennials volledig uit onze afgetrapte slippers.

Prince had iets buitenaards, iets onsterfelijks. Dit gevoel werd nog meer gevoed door zijn aversie voor de media, zijn bizarre outfits en de hetze tegen wat hij zelf zag als label tyranny en het recht van de artiest om eerlijk betaald te worden. Het is bij Prince verrekte lastig om te rouwen zoals dat bij Bowie wel ging, want onlangs haalde hij al zijn muziek van aanbieders als Spotify, Apple Music en op zijn officiële Youtube-kanaal is ook niets te vinden.

En dan is er nog die kluis, waar naar verluidt nog voor een eeuw aan muziek in schuilgaat. Als dit waar is (wat mij persoonlijk niet zou verbazen) dan heeft Prince Rogers Nelson uit Minneapolis zich werkelijk onsterfelijk gemaakt, en zal hij in de toekomst nog vele anderen van ‘na zijn tijd’ inspireren. De herinnering aan die zomer van 2011 wordt daarmee een potentieel ‘dit vertel ik later aan mijn kleinkinderen’-moment, maar dat is – totdat de kluisdeuren opengaan en we werkelijk zien wat zijn testament is – vooralsnog toekomstmuziek.