De geheimen van een ijkmeester in een oer-Hollandse roman

Met Dijk schreef H.M. van den Brink een oer-Hollandse roman, over het mysterieuze leven van een norse ambtenaar en over misschien wel het grootste van alle raadsels: tijd.

‘Typisch Nederlands’ is zelden echt een aanbeveling. Het ruikt naar zuinigheid, naar gierigheid, of op zijn best naar de saaiere deugden: betrouwbaarheid, degelijkheid, nuchterheid. Je kunt een Nederlander nauwelijks een groter compliment maken dan hem on-Nederlands te noemen, en dat geldt eigenlijk ook voor Nederlandse films en boeken.
Daar lijkt H.M. van den Brink (1956) zich niks van aan te trekken: Dijk is een oer-Hollands boek. Het is Van den Brinks eerste roman sinds Over het water uit 1998 – een internationaal succes, dat uitgebreid vertaald, genomineerd en bekroond werd, een roman die inmiddels als een moderne klassieker geldt. Nog geen twee maanden na verschijning gaat het met Dijk min of meer dezelfde kant op, als we op de lovende kritieken mogen afgaan. Die vrijwel unanieme lof is terecht.

Het oer-Hollandse zit ’m in de krachtige titel, maar ook in de twee hoofdpersonen en in Van den Brinks scherpe oog voor licht, schaduw en wolkenluchten. Het zit ’m in de nauwkeurige, heldere beschrijvingen van dorpen en stadjes in de Noord-Hollandse polder, en het overtuigende beeld van de jaren na de oorlog, de tijd van nuchter optimisme en nationale littekens, van verzuiling, verantwoordelijke ambtenaren in pak en van misschien wel het meest Hollandse van alle beroepen: dat van kruidenier.

Van den Brink zet een overtuigend tijdsbeeld neer, dat hier en daar aan het werk van Geert Mak doet denken. Net als in bijvoorbeeld De eeuw van mijn vader leunt het tijdsbeeld meer op sfeerbeschrijvingen, op licht en geuren, dan op sociologische bespiegelingen: “De winkel van de kruidenier was een carrousel, een festival van geuren – koffie, kruidnagelen, anijs, gember, waspoeder, thee – die elkaar afwisselden, iedere keer wanneer er een stopfles of een lade openging en met een schep de papieren puntzak werd gevuld die in een metalen ring op de weegschaal stond.”
Het verhaal wordt in de eerste persoon verteld, door een van de twee hoofdpersonen. De gepensioneerde ambtenaar beschrijft niet alleen een wereld die nauwelijks meer bestaat, hij gebruikt daar ook woorden bij die zo ongeveer zijn uitgestorven: leggers, ijkmeester, unster, blauwsel, bascule. Hele en halve vaktermen, woorden die passen bij een wereld van voor de computer, voor de elektronische snelweger en voorverpakte levensmiddelen, voor de zelfbediening en de supermarkt, voor de digitalisering en de privatisering, en eigenlijk ook voor burgerlijke ongehoorzaamheid, voor de provo’s en de hippies.

Maar Dijk is veel meer dan een portret van een vergeten Nederland. Het is een allesbehalve sensationele, maar vrijwel constant spannende roman over twee collega’s, de verteller en de titelheld, die zo’n 45 jaar samenwerken en in het overgrote deel van die tijd niks bijzonders over elkaar te weten komen – totdat de titelheld, Karl Dijk, gedwongen afscheid neemt. Hij verschijnt niet op zijn eigen afscheidsreceptie. Een tijd later verschijnt hij wél op een plek waar hij bepaald niet is uitgenodigd, en al helemaal niet gewenst is: de droomwereld, het onderbewuste van de verteller. Daar schopt hij een heel verleden omver.

Karl Dijk is een Bordewijkpersonage, dat zo in Karakter of Bint had kunnen voorkomen. Streng, ondoorgrondelijk, hoekig en nors. Een wat angstaanjagende man van onwankelbare principes. De verteller – we komen zijn naam niet te weten – lijkt eerder uit het werk van Elsschot te zijn weggelopen. Het is een weinig avontuurlijke, tamelijk kleurloze man. Hij doet zijn verhaal in nauwkeurige, nuchtere zinnen. Hij corrigeert zichzelf, zoekt steeds naar de precieze, meest volledige omschrijving. Een verantwoordelijke ambtenaar in hart en nieren, die alle feiten en vermoedens systematisch uiteenzet, en daarbij steeds probeert beide van elkaar te onderscheiden – ook als zijn herinneringen, of beter gezegd zijn zekerheden, in een heel ander licht komen te staan.

Vanaf de vroege jaren zestig werken Dijk en de verteller bij de Rijksdienst voor het IJkwezen, kortweg de Dienst. Die naam, de Dienst, geeft het kafkaëske van de instantie en van de hele functie goed weer. De ambtenaren van de Dienst controleren tijd en massa. Dat wil zeggen: ze controleren de gewichten en de maten die middenstanders in hun winkels gebruiken.

Het werk had niet duidelijker omschreven of concreter kunnen zijn, en toch heeft het iets symbolisch. Iets allegorisch. Het is een prachtige bron voor een sterk realistische romancier als Van den Brink, die de tastbare werkelijkheid scherp wil neerzetten en tegelijk de raadsels, de ongrijpbare mechanismen achter al die alledaagse indrukken en herinneringen probeert te vangen.

Dijk gaat voor een groot deel over misschien wel het grootste raadsel van allemaal: tijd. De nadruk op tijd zien we in alles terug: in het motto (van Tennessee Williams) en, als een soort refrein, in de bespiegelingen van de verteller. Bijvoorbeeld in zijn uitleg over de keukenklok, die hij stiekem vooruitzette om zijn twee kinderen op tijd naar school te krijgen. En het komt terug in de vorm, de manier van vertellen: Van den Brink springt heen en weer in de tijd, laat de verteller zijn hele werkzame leven opnieuw bezien, waardoor zowel het heden als het verleden van vorm en inhoud verandert. Zo laat hij ons tegelijk de objectiviteit en de subjectiviteit van tijd zien.

Zo samengevat, met die nadruk op tijd, klinkt de compacte roman misschien wat abstract en filosofisch, een moeilijk boek met een gewichtige thematiek. Dat valt erg mee. De overpeinzingen over tijd worden soepel vervlochten met het onderzoek van de verteller naar Dijk, naar Dijks geheimen, en naar de waarheid van zijn eigen herinneringen.
Steeds houdt Van den Brink je nieuwsgierig, met kleine vooruitwijzingen, met net op tijd afgekapte hoofdstukken en onverwachte maar goed voorbereide onthullingen. In zijn verder positieve recensie in Het Parool was Arie Storm alleen dáár kritisch over: dat Van den Brink het niet aandurfde om zijn zware onderwerpen plotloos te beschrijven. Een wat merkwaardig bezwaar. Want het zijn niet alleen Van den Brinks heldere, elegante zinnen die de roman zo krachtig maken. Het is óók het zorgvuldige onthullen van de informatie, het toewerken naar een ontknoping. Juist daardoor word je steeds sterker Karl Dijks mysterieuze leven in gesleurd, en uiteindelijk ook dat van de verteller. Juist daardoor komen de óók typisch Hollandse tragedies in de levens van de ambtenaren des te harder aan./