De paradox van het raadgevend referendum en burgerinitiatief

Het raadgevend referendum en het burgerinitiatief zijn een roeptoeter naar ‘de overkant’, ofwel naar politiek Den Haag. Dat concludeert Ariejan Korteweg in een interessante column over het burgerinitiatief ‘Teken tegen kernwapens’ dat vandaag in de Tweede Kamer wordt besproken.

De negatieve conclusie van Korteweg komt voort uit het feit dat geen van de negentien besproken burgerinitiatieven zijn zin heeft gekregen. Verschillende initiatieven die de benodigde steun van 40.000 (digitale) handtekeningen haalden werden zelfs niet geagendeerd omdat ze niet aan de eisen voldeden (zoals: het onderwerp mag niet besproken zijn in de afgelopen twee jaar).

Met het raadgevend referendum gebeurt ook al weinig. Hiervoor zijn meer handtekeningen nodig (300.000) en vervolgens mag heel Nederland advies uitbrengen, maar net als bij het burgerinitiatief kan de regering ermee doen wat het wil. Hierover schreef ik al eerder op deze plek.

In een interessante analyse stelt hoogleraar Europees Constitutioneel Recht en lid van de Staatscommissie Grondwet (Staatscommissie-Thomassen) Leonard Besselink: “Correctieve referenda zijn gebaseerd op de juiste gedachte dat een Kamermeerderheid op concrete dossiers niet altijd de voorkeur van de meerderheid van de kiezers weerspiegelt.”

En: “De paradox van het Oekraïne-referendum is dat het de representativiteit van de stemverhoudingen in de Tweede Kamer bevestigt: de tegenstemmers zijn ongeveer gelijk aan het aantal kiezers dat door de fracties die in de Kamer tegenstemden worden vertegenwoordigd. Geen correctie dus, maar bevestiging van de democratische legitimiteit van het besluit dat de Tweede Kamer nam.”

Voor de anti-Oekraïnisten is de omgang van het kabinet met de uitslag van het referendum echter koren op hun molen: ‘Zie je wel, de politiek luistert niet naar wat het volk wil.’ Een van de organisatoren van een burgerinitiatief dat aan de kant werd geschoven zegt in de Volkskrant: “De afwijzing vergrootte mijn teleurstelling”.

Waar de inspraakmogelijkheden de bedoeling hebben om meer dan een roeptoeter te zijn en de kloof tussen burgers en politiek te verkleinen, pakken ze – belangrijke toevoeging: op de manier waarop ze nu zijn vormgegeven – in de praktijk averechts uit en blijken ze eerder een gevaar voor de stabiliteit van de democratie.