Waarom ik van sport houd

Het kijken naar sport wordt door velen afgedaan als een dom en zinloos tijdverdrijf. Ten onrechte. Deze hobby laat je opgaan in een groter geheel en in verhalen met bloedstollende plotwendingen. En dan die sierlijke bewegingen!

In de twee jaar dat ik voor de website van dit tijdschrift zesmaal per week over sport schreef, werd me af en toe gevraagd hoe dat kon, iedere dag schrijven over sport. Er kan immers, daarvan zijn mensen die de sport een warm maar onwetend hart toedragen overtuigd, nooit voldoende sport zijn om iedere dag over te schrijven. Weten zij veel: er was nooit te weinig sport. Te veel, dat wel.

Iedere dag moest ik kiezen, tussen onderwerpen, invalshoeken en tonen. Weer anderen vroegen waarom ik überhaupt over sport schreef. Ik had tenslotte gestudeerd, ik was breed (nou ja) geïnteresseerd, ik zou over van alles kunnen schrijven en waar besteedde ik mijn dagen aan? Aan schrijven over een wonderlijk amalgaam van lichaamsbeweging en stammenstrijd, over het wereldvreemde neefje in de entertainmentfamilie.
Het grote probleem van het kijken naar sport (het beoefenen staat om gezondheidsredenen nooit ter discussie) is dat veel mensen denken dat het een domme en zinloze liefhebberij is.

Op zichzelf geeft dat niks: er zijn ook mensen die lezen een zinloos tijdverdrijf vinden (nooit dom, wel zinloos – want wat brengt het op om je te verdiepen in de fantasiewereld van iemand die je niet kent?), of naar het museum gaan, of wiskundige problemen oplossen – zodra iets een liefhebberij is, is er altijd wel iemand te vinden die die liefhebberij zinloos vindt. Ikzelf begrijp bijvoorbeeld niet zo veel van de zin van het oplossen van kruiswoordpuzzels en sudoku’s, en evenmin van het kijken naar showprogramma’s op televisie – wat trouwens niet wil zeggen dat ik dat daarom nooit doe. Niets ontspant zo als iets wat in zichzelf geen zin heeft, en ontspanning is dan weer erg zinnig (tot je te veel ontspant, want daar kun je behoorlijk opgefokt van raken).

De zin van schijnbare zinloosheid is het beste te vergelijken met een boswandeling. Toen ik mijn vader eens vroeg waarom we bewust omliepen door rechts om het poeltje te lopen, en niet de veel kortere weg linksom namen, antwoordde hij dat wandelen per definitie een vorm van omlopen was.
Dat is misschien wel de kern van sport. Omlopen.

Dit jaar staat er een Sportzomer op het programma. Eigenlijk is iedere zomer een Sportzomer, maar pas wanneer er in die zomer ook Olympische Spelen plaatsvinden, mag een zomer Sportzomer worden genoemd. Naast de Spelen – en jaarlijkse happenings als de Tour en Wimbledon – staan dit jaar ook het EK atletiek en het EK voetbal op stapel. Elk van die evenementen vertegenwoordigt een van de schoonheden van sport.

In werkelijkheid trapt de Sportzomer van 2016 al halverwege de lente af. Wanneer de Giro d’Italia op 6 mei van start gaat in Gelderland – ook op 7 en 8 mei gaat het parkoers door deze provincie – kleuren Apeldoorn, Nijmegen, Arnhem en verre omstreken roze. Wie weleens bij een wielerwedstrijd langs de kant heeft gestaan, weet dat sport vooral bestaat uit het delen van een gemeenschappelijke liefde. Mensen komen voor de sport, er staat niets anders op het spel dan het spel zelf. De eerste keer dat ik bij een wielerkoers was, stond ik in een Limburgse berm. Er heerste een sfeer die het perfecte midden hield tussen opwinding en beheersing en voor het eerst had ik – waarschijnlijk ten onrechte – het gevoel dat ik tot een soort microgemeenschap behoorde. Ik, met mijn beperkte talent voor saamhorigheidsgevoel, heb me sindsdien iedere keer dat ik me rond een parkoers bevond, op een kalme manier lid gevoeld van een open genootschap. Zo, vermoed ik, voelen voetbalsupporters zich als ze op zondagmiddag hun team naar de zege scanderen. Ze zijn fan, supporters, ze identificeren zich met iets wat op het eerste oog volkomen buiten henzelf staat. De liefde voor een club is eenzijdig, hij komt altijd alleen van de kant van de fan. Supporter-zijn lijkt meer op stalking dan op liefde. Niks voor mij, om fan te zijn moet je vermoedelijk enig talent hebben voor gemeenschapszin. En ik was toch onafhankelijk, ik was toch de beschouwer die zich niet willoos door een groep liet verzwelgen? Dacht ik ook ja. Tot het moment dat ik langs het parkoers van een wielerwedstrijd sta, of met mijn vriendin in Spanje een lokale voetbalwedstrijd bezoek. Dan wil ik er helemaal bij zijn, erin opgaan, wil ik zoveel mogelijk horen bij dat wat ik meemaak. Alle ironische distantie opheffen. Sport kan dat, sport kan je zo van iets laten houden dat je erin wilt opgaan, dat je er koste wat kost deel van wilt uitmaken, dat je niet langer aan de kant wil staan, maar wil meedoen, al is het maar als een van de honderdduizend juichende mensen langs een proloogparkoers in Apeldoorn. Want hoe verschillend ook: op zo’n dag ben je even allemaal onderdeel van hetzelfde.

Ik blijf nog even in het wielrennen: een paar maanden geleden, min of meer tegelijk met de start van het nieuwe seizoen, publiceerden twee marketingdeskundigen een onderzoek getiteld ‘Een economische blauwdruk voor het moderne wielrennen’. Conclusies: de sport vergrijst en dient gemoderniseerd, om hem voor de ondergang te behoeden. In een interview in het weekblad Knack lichten de economen hun onderzoek toe. Het stuk staat vol ijzingwekkende citaten, zoals “De sport is te weinig afgestemd op de jonge, zappende sportconsument,” en “Ik kan me niet indenken dat voorspelbare wedstrijden over twintig jaar nog zullen bestaan.” Het komt erop neer dat het wielrennen z’n centrale positie heeft verloren (ik wist niet dat het wielrennen ooit een centrale positie had gehad, maar vooruit) en de oplossing van de economen luidt zoals wel vaker: geld. Er moet meer geld verdiend worden, meer omzet gedraaid, de ‘jonge, zappende sportconsument’ moet worden aangesproken en meteen daarna meegesleurd worden in een rollercoaster van prikkels.

Dat was schrikken. Wielrennen is een op het eerste gezicht onaantrekkelijke sport (‘dalurenentertainment’, zoals de economen het in Knack noemden) en in een tijd waarin iedereen altijd kan kiezen uit Bijna Alles, entertainmentgewijs, zullen misschien minder mensen op zondagmiddag live naar een wandeletappe van Saint-Jean-de-Maurienne naar Tarrascone-sur-Saone gaan kijken. Zoals er ook minder mensen een dik boek op schoot zullen nemen, of een opinieweekblad. Wat de sport – in dit geval de koers, maar je kunt er iedere sport voor invullen – een aantrekkingskracht geeft die ’m laat uitstijgen boven veel van z’n ‘entertainmentconcurrenten’, is traditie. Historie. Nergens verwijst wat er gebeurt zo direct terug naar dat wat ooit is gebeurd als in de sport. In iedere voorbeschouwing van een nog te spelen wedstrijd of toernooi, in ieder interview, in ieder gesprek over sport speelt de geschiedenis een rol. Sportliefhebbers en zelfs de meeste sporters zelf bezitten een groot historisch besef – waar het hun sport betreft tenminste. Tradities en geschiedenis vormen in de sport niet zomaar alleen een robuust fundament; ze maken deel uit van het heden, worden voortdurend opnieuw gekneed naar de wetten van een nieuwe tijd. Neem Wimbledon (dit jaar van 27 juni tot en met 10 juli), waar de mummelende overblijfselen van de Britse adel al aardbeien met slagroom lepelend loeren naar spelers en speelsters die in all white tenues hun wedstrijdjes spelen op de meest onpraktische ondergrond uit de sportgeschiedenis: gras. Bij het eerste drupje regen wordt de match halsoverkop onderbroken. Dat duurt soms uren, kostbare televisie-uren die vaak worden opgevuld met – jawel – het herhalen van oude wedstrijden. Alsof je bij een storing van de NOS een Journaal uit 1997 van de plank pakt.
Ook in het tennis veranderen de dingen. Zelfs Wimbledon wordt, beetje bij beetje, gemoderniseerd. Zoals alles, overal, altijd. Maar het gebeurt met beleid, omdat sportliefhebbers – economen daargelaten – begrijpen dat het kapitaal van de sport niet alleen ligt in de reclame-inkomsten, maar ook in de geschiedenis.

Persoonlijk is het mij in die geschiedenis niet te doen om ontwikkelingen, om het eerste geval van hooliganisme, het eerste dopinggeval, de eerste vrouw in zus of zo. De geschiedenis van de sport is een verzameling verhalen (het heden trouwens ook), een soort bibliotheek, met aparte gangpaden en rugstickers voor biografieën, voor sociologie, voor humor en poëzie. De ene sport is onmiskenbaar meer literair dan de andere, maar in wezen bestaat iedere sport uit verhalen. Dat heeft met de aard van sport te maken, die is namelijk identiek aan de aard van het oerverhaal: personage heeft een doel, roman/toneelstuk/film volgt z’n pogingen dat doel te bereiken.

Iedereen die door de bibliotheek van de sport dwaalt, belandt vroeg of laat bij de afdeling ‘Spanning’. Een goeie sportwedstrijd is namelijk niet zomaar een verhaaltje, het is de thriller die je meesleept, die je van je stuk brengt, die je keer op keer op het verkeerde been zet en die aan het eind ook nog met een verbijsterende plotwending op de proppen komt. Zoals de moorden die het meest beklijven alleen op papier worden gepleegd, is de spannendste sport in staat je te laten vergeten dat het maar sport is.

Vermoedelijk het allergrootste verhalencircus van alle sportwedstrijden is de Tour de France (2 t/m 24 juli). Tweehonderd sporters die drie weken lang met elkaar de strijd aangaan, die zowel individueel rijden als in ploegverband, die ploegoverstijgende vriendschappen hebben, die allianties met de vijand smeden, die vertrouwen op een lichaam dat hen ieder moment in de steek kan laten, die kunnen vallen, betrapt kunnen worden, ingesloten kunnen raken, ziek kunnen worden. Iedere dag opnieuw, in omstandigheden die voortdurend wisselen en die – hoe grondig de voorbereiding ook – altijd weer anders uitpakken dan van tevoren verwacht. Iedere bocht kan het einde betekenen, om elke hoek kan een onverwacht obstakel opdoemen. De plotwendingen in een wielerwedstrijd zijn ontelbaar, en in de Tour, waarin de druk en de aandacht werken als een loep, kun je die plotwendingen tot op de seconde volgen. Althans, dat denk je, want van wat er werkelijk gebeurt, daar weet je als kijker nauwelijks iets vanaf. Zo werkt sport: het leert je informatie te interpreteren, in te zien dat er een verschil is tussen de werkelijkheid en jouw visie op de werkelijkheid. Je leert – en dat gaat helemaal vanzelf – je in de ander te verplaatsen, de drijfveren en gedachten van een ander te begrijpen. Daarnaast zijn die verhalen ook gewoon aangenaam vermaak. Faits divers. Relaxte berichten uit een kunstmatige wereld waarin slechte benen of een dubbele fout min of meer het ergste is wat kan gebeuren. Sport is vermaak dat zo gelaagd is als je zelf wil.

Wanneer op 10 juni het EK Voetbal begint, staat vermaak op één. In een tijd van angst, in een land dat bibbert onder een permanente koorts van terreur is vermaak enorm belangrijk. Niet als geneesmiddel, wel als pijnstiller. Sport – en de populairste sport van allemaal het meest – kan vermaak bieden. Wat voetbalclubs in het klein doen, doen voetbaltoernooien op wereldschaal: ze vormen een gemene deler, het voornaamste onderwerp van gesprek bij de mondiale dorpspomp, waar de gesprekken meestal door treurnis en teleurstelling worden gedomineerd. Natuurlijk is sport geen vervanging voor religie, zoals af en toe door een socioloog wordt beweerd. Daar is het veel te vrijblijvend voor, veel te eenvoudig vervangbaar ook, maar in een tijd waarin de individuele ervaring het hoogste goed is, en waarin vermaak fragmentarischer en persoonlijker wordt, kan er weinig op tegen een opwekkende gebeurtenis die je, al is het maar even, met iedereen kunt delen. Wie deze zomer in Frankrijk Cristiano Ronaldo, Antoine Griezmann of Thomas Müller plots iets ongelooflijks ziet doen, kan voor even zichzelf vergeten en opgaan in de schijnbaar onbegrensde creativiteit van de ander.

Veel van die ervaringen op een groot voetbaltoernooi, momenten waarop iedereen even zucht van pure pret, hebben direct te maken met een andere, zelden genoemde bekoring van sport: het is schitterend om naar te kijken. Esthetisch gezien, bedoel ik. En dan heb ik het niet eens (alleen) over kunstschaatsen, schoonspringen, turnen en aanverwante sporten die rondhupsen op het kruispunt van de Olympische Spelen (5 tot en met 21 augustus), Scapino Ballet en Holiday on Ice, maar gewoon: over het fysieke geweld van de dunkende basketballer, over de totale lichaamsbeheersing van de judoka, de concentratie van de schaker, de curve van de golfbal. Trek de sport los van ieder spelelement en ook dan blijft er nog genoeg te kijken over. Zie de glanzende ballen over het groene kleed van het biljart tollen, zie de perfecte patronen in een volleybalploeg, zie de krullerige inhaalmanoeuvres van de autocoureur. Zelfs een tamelijk eendimensionale sport als atletiek – wie is het snelst, het sterkst, het springerigst? – is alleen al om redenen van esthetiek de moeite waard. Wanneer Dafne Schippers deze zomer op het EK in het Olympisch Stadion in Amsterdam (4 tot en met 10 juli) aanzet voor de tweehonderd meter, valt er zelfs voor wie chauvinisme en lichaamsfunctievergelijkingen volstrekt oninteressant vindt, genoeg te zien. Zie haar lopen, zie hoe alles in haar lijf helemaal in dienst staat van het zo snel mogelijk vooruitgaan. De perfecte bocht, de benen die steeds sneller gaan. De laatste rechte lijn. Zo kan een mens dus lopen. Een soort goocheltruc is het: je staat er met je neus bovenop, maar hoe doet ze het?

Zes jaar schrijf ik nu over sport. Nog altijd bijna dagelijks. Steeds vaker vraag ik me af of ik er niet eens mee moet ophouden: de wereld zit vol onderwerpen, en sport is maar sport. Tegelijk begrijp ik steeds beter dat er geen andere plek bestaat waarin zoveel aspecten van het leven, al dan niet vervormd, voor de schrijver worden uitgestald als in de sport. Wie over sport nadenkt, wie erover schrijft en zelfs wie er af en toe naar kijkt, leert de wereld op een fijne manier beter begrijpen. Dom en kortzichtig zijn slechts zij die sport dom en zinloos noemen. Sport is omlopen, en ook wie omloopt, komt vroeg of laat op z’n bestemming./