Nederland (niet) in beweging

Naar sport kijken is onverminderd populair. Maar er zelf aan doen, ho maar. Zijn we een natie van couch potatoes? De Feitenfirma zocht het uit.

In het nummer van HP/De Tijd dat nu in de winkel ligt is veel aandacht voor sport, vooral topsport. Ik voel me daar zeker toe aangetrokken, maar doe er zelf niet aan. Misschien mogen sommigen van u nog hoop koesteren; in mijn levensfase maak ik regelmatig de grap dat ik nog altijd wacht op een telefoontje van de bondscoach, terwijl die kans inmiddels statistisch te verwaarlozen is.

Ik kom zelfs alleen voor in het gedeelte van de sportstatistieken dat vertelt wie er in Nederland niet aan sport doet. Want onderzoekers hanteren criteria als sportschoolbezoek (doe ik niet aan, ik verveel me daar dood) en activiteiten bij een sportvereniging (ben ik ook geen lid van, na 21 jaar in verenigingsverband te hebben gevoetbald op het niveau van de vierde klasse amateurs). En dan nog maar een enkel optreden in het eerste elftal. Ook bij basketbal – daarvoor had ik zeker talent – ben ik uiteindelijk niet doorgebroken.

Mijn beweging bestaat uit zo veel mogelijk lopen in plaats van fietsen, als het enigszins kan, en uit het flink door mijn stad wandelen, recreatief, meerdere dagen per week. Volgens de app op mijn iPhone kom ik zo tot gemiddeld meer dan zes kilometer. Per dag. En dat lukt de meeste amateursporters in ons land weer niet.

De Nederlander doet al jaren ongeveer evenveel uur aan sport. Het stijgt hooguit (zeer) licht. Daarbij is ‘sport’ een nogal arbitrair begrip. Sportclubs zijn er in soorten en maten: van biljartclubs met nog geen tien leden tot golfclubs met meer dan duizend leden. Een op de drie verenigingen heeft minder dan vijftig leden; negen procent heeft meer dan vijfhonderd leden. Meer dan de helft van de kracht- en vechtsportclubs hebben minder dan vijftig leden. Ze vallen statistisch in de categorie ‘binnensport’, net als denksporten, bowlen, kegelen, biljarten, schietsport, darten en schermen.

De grootste verenigingen vinden we bij de buitensporten. In 2012 telde 41 procent van de voetbalclubs meer dan vierhonderd leden. Dat percentage was vroeger lager, want het aantal clubs daalt, vooral door fusies. Ook 37 procent van de tennisclubs heeft meer dan vierhonderd leden. Maar vooral de golfclubs vallen op door hun omvang: in 2012 had ruim de helft van de golfclubs vijfhonderd leden of meer. Gemiddeld had een golfclub in 2012 736 leden.
Wie een populairder wordende sport wil, moet naar de sportschool gaan. Daar zie je direct de keerzijde, want de toenemende populariteit van de sportschool gaat gepaard met een stijging van het aantal sportblessures. Mensen spannen zich op bizarre wijze in en gebruiken spieren waarvan ze niet eens wisten dat ze ze hadden. Ze overbelasten hun lichaam en belanden bij de fysiotherapeut, terwijl de werkgever in veel gevallen de absentie- of ziekte-uren doorbetaalt.

Fitness is ook een elitaire sport; de beoefenaars zijn grotendeels hoogopgeleid. Want dat is een niet te missen trend, ook als je kijkt naar cijfers over andere sporten. Op zeer jonge leeftijd is er geen verschil tussen hoog- en laagopgeleiden. Maar naarmate mensen ouder worden, neemt het verschil toe. Degenen die doorgaan met sportbeoefening, behoren tot de betere klassen. Dit komt voor een belangrijk deel doordat die zich realiseren dat beweging nodig is. De populariteit van vitaminepillen, beweeg- en hartslagmeters neemt toe, onder met name de hoogopgeleiden. Tegelijk doet zich een contrair fenomeen voor: actieve sporters drinken vaker en meer dan niet-sporters, terwijl alcohol de sportprestaties in negatieve zin beïnvloedt. En spieren herstellen langzamer na alcoholgebruik.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft het in zijn Rapportage Sport 2014 allemaal op een rij gezet. Vergrijzing zorgt voor beperking, want hoe ouder we zijn, hoe groter de kans op blessures, als we al niet vanzelf allerlei chronische aandoeningen oplopen.

We zeggen heel veel waarde aan onze gezondheid te hechten, maar we hebben moeite de daad bij het woord te voegen. Beweging maakt deel uit van je levensstijl en die verbetert nauwelijks. Zo goed als de helft van onze volwassenen is te zwaar; van de kinderen heeft een op de zeven overgewicht. Het betrekkelijk goede nieuws daarbij is dat er na een jarenlange stijging van de gewichtstoename inmiddels sprake is van stabilisering.

Dat het aantal sportbeoefenaars nauwelijks stijgt, valt ook te verklaren door de geringe populariteit van sport onder allochtone Nederlanders; zeker de eerste generatie heeft er vanwege de culturele achtergrond niks mee. Met daarbij direct de kanttekening dat sportbeoefening om gezondheidsredenen in hun landen van herkomst veelal onnodig zou zijn. Dagelijkse lichamelijke inspanning was daar immers veel normaler dan in onze diensteneconomie. En wij haalden de eerste generatie nu juist naar Nederland om het fysiek zware werk te doen waarvoor wij niet meer uit onze stoel wilden komen. Die neiging tot dagelijkse fysieke inspanning werd niet op hun kinderen, de tweede generatie, overgedragen. Dat probleem wordt nu – met de derde generatie – vanzelf opgelost.

Lager opgeleide autochtonen hebben hun kinderen evenmin liefde voor bewegen en sport bijgebracht. Maar nieuwe generaties Nederlanders – allochtoon of autochtoon – zijn hoger opgeleid. Dan komt het vanzelf.
Sport is – afgezien van de weinige tijd die er in het onderwijs nog voor wordt vrijgemaakt – vooral vrijetijdsbesteding. En hoewel we steeds meer vrije tijd kregen, lijkt het merendeel eerder op te gaan aan mediaconsumptie, achter televisie, computer, tablet en mobieltje. Een beeld van couch potatoes doemt op. U ergert zich eraan bij uw kinderen, maar u bent er zelf ook een. Gemiddeld zitten Nederlanders tussen 12 en 64 jaar 7,4 uur op een school- of werkdag. Sporters blijken echter – met uitzondering van de leeftijdscategorie 30-64 –evenveel tijd zittend door te brengen als niet-sporters en lopen daarmee dus ook onnodige gezondheidsrisico’s.

Een andere factor die de groei van het aantal sportbeoefenaars negatief beïnvloedt, is de koopkracht. De economische crisis van de afgelopen jaren heeft een negatieve invloed gehad. Het aantal gezinnen dat onder een van de meerdere armoededefinities valt, is toegenomen. Er is dan vaak geen geld meer voor het lidmaatschap van een sportclub. Daar komt nog bij dat mensen die in hun kindertijd niet in de gelegenheid kwamen aan sport te doen, het later niet alsnog oppakken. Het zit dan niet in hun systeem.

Op naar de harde cijfers. Driekwart van de bevolking beoefent twaalf keer per jaar een sport en 56 procent doet dat zelfs wekelijks of vaker. Dat is beter dan het Europese gemiddelde. Hierbij spelen dezelfde factoren die ik al noemde een rol: het gemiddelde Europese opleidingsniveau is lager; ook zijn veel landen in mindere mate een diensteneconomie en wordt er méér fysieke arbeid verricht.

Een kwart van de Nederlandse bevolking doet helemaal niets aan sport, althans volgens de definitie die onderzoekers aanhouden. Toch is er voor mij en gelijkgestemden hoop; de definities worden breder. Het sportbeleid heeft zich de afgelopen jaren verbreed tot sport- en beweegbeleid. Het zou zomaar kunnen dat ook mijn persoonlijke benadering – beweging incorporeren in alles wat je doet – over een aantal jaren als serieus wordt erkend.

Ook om een andere reden moeten de statistieken op onderdelen worden gewantrouwd. Want heel veel landgenoten zijn actief als vrijwilliger bij een sportvereniging. Dat is niet zonder belang: in 2012 was maar liefst elf procent van de gehele bevolking maandelijks of vaker actief als vrijwilliger in de sport, bij 82 procent van alle sportverenigingen. Omgerekend ging het om 56.000 onbetaalde voltijdsbanen. Wie vrijwilliger is, is daarmee nog geen sporter.

Hoewel bewegen een grote bijdrage kan leveren aan ieders gezondheid, wordt dat ons in het onderwijs niet echt bijgebracht. Misschien wel in woorden, maar daar blijft het overwegend bij. Een op de vijf basisscholen geeft niet meer dan één uur per week ‘bewegingsonderwijs’. In het mbo haalt maar een kwart van de leerlingen de norm voor beweging.

De Nederlandse topsport heeft zich ten doel gesteld bij de beste tien landen van de wereld te horen, zowel wat betreft de Olympische als de Paralympische sporten. Op basis van de behaalde medailles op wereldkampioenschappen, Olympische en Paralympische Spelen stond Nederland begin 2014 op de negende plaats bij Olympische sporten en op de zestiende plaats bij Paralympische sporten. We hebben nog geen zicht op grote verbeteringen. Het beeld is ook vertekend, omdat de plaats van een land in de rangorde wordt vastgesteld aan de hand van de zogenaamde medaillespiegel. Maar één Dafne Schippers kan de notering sterk beïnvloeden als ze er zomaar een paar medailles bij loopt, die we daarna jaren niet meer zien.

23 procent van ons bezoekt ten minste wekelijks een sportwedstrijd. Die kan van je kinderen zijn of van het Nederlands elftal. Koploper is het betaald voetbal met zeven miljoen bezoekers per jaar.
Het belang van sport voor de Nederlandse economie is klein, rond de één procent, goed voor ruim zes miljard euro. In de ‘sporteconomie’ werken 150.000 mensen, goed voor in totaal 110.000 voltijdbanen. Vaak zijn het dus parttimebanen. Het aantal banen in de sport is de afgelopen jaren wel gegroeid, evenals het aantal opleidingen ervoor. Op middelbare scholen blijkt de belangstelling voor een baan in de sport toe te nemen: steeds meer leerlingen doen examen in een profielvak op het terrein van lichamelijke opvoeding en sport.
Huishoudens gaven in 2010 bijna vijfhonderd euro uit aan sport, oftewel 1,6 procent van hun totale uitgaven. Maar tussen 2007 en 2009 lag dit bedrag hoger.

Volgens het CBS hing in 1980 62 procent van de Nederlanders familiaal-burgerlijke waarden aan. Dit percentage was in 2011 gedaald naar 55. In 1980 hing 56 procent van de Nederlanders hedonistische waarden aan; dat was in 2011 gestegen naar 79 procent.
Het toegenomen hedonisme zou een verklaring kunnen zijn voor de groeiende populariteit van de sportschool. Daar kun je immers elke dag naartoe, op tijden die je zelf bepaalt, zonder met anderen rekening te hoeven houden./