Het onrecht van dubbeltellende uitdoelpunten

“Dus als er nu niet meer wordt gescoord, dan is Atlético door?” vroeg mijn vriendin vlak na het doelpunt van Robert Lewandowski in de halve finale van de Champions League tussen Bayern München en de rood-witten uit Madrid. “Ja,” antwoordde ik kort en schoof verder naar het puntje van mijn stoel, of in dit geval de bank.

“Maar ze staan over twee wedstrijden toch gelijk?”
“Ja, maar bij een gelijke stand tellen de uitdoelpunten dubbel.”
“Dat is toch helemaal niet eerlijk?”
“Toch is het zo.”

“Ik vind het een stomme regel,” zei ze. Ze pakte haar spullen en ging naar boven om haar tanden te poetsen. Ik bleef gehypnotiseerd achter op de bank, voor de laatste tien minuten van de wedstrijd die het ultieme voetbalkijkgevoel bij mij losmaakte. Een perfecte mix van spanning en bewondering.

Het is overigens niet zo dat bij ons de televisie op Champions League-avonden standaard op SBS6 staat afgestemd. Tijdens de eerste helft had ik dinsdag nog met mijn laptop op schoot gezeten. Aan het uurtje Grey’s Anatomy van mijn huisgenote valt niet te tornen, zelfs door Pep Guardiola en Diego Simeone en hun voetbalmachines niet, en dat probeer ik dan ook niet eens. (Het gaat helemaal mis tussen dokter Roberts en dokter Torres, mocht u het zich afvragen.)

Ik dacht nu mijn vriendin was afgehaakt na over haar woorden. Zij vindt wel vaker iets een ‘stomme regel’, dus het hoefde niet per se te betekenen dat ze gelijk had. Maar even daarvoor had ze nog gezegd dat ze Manuel Neuer wel een hele goede, bewegelijke keeper vond. Enig verstand van voetbal kan haar dus niet worden ontzegd. Bovendien doorbrak haar nog niet vertroebelde blik op de regel in dit geval de ‘het is al jaren zo, dus het zal wel goed zijn’-gedachte in mijn hoofd.

De regel, van de dubbeltellende Europese uitdoelpunten, is ooit in het leven geroepen om aanvallende ploegen te belonen. Teams die ongeacht of zij nu uit of thuis speelden ten aanval trokken, die altijd en overal een doelpunt wilden maken, of dit nu in de hol van de leeuw was of niet.

Inmiddels wordt de regel door trainers als Simeone en José Mourinho keihard in het gezicht uitgelachen. Atlético en eerder onder andere Internazionale en Chelsea trekken – vooral als ze de eerste wedstrijd thuisspelen – een muur op om maar te zorgen dat ze in eigen huis geen doelpunt tegen krijgen. In het uitduel hebben ze dan vaak aan een geslaagde uitbraak genoeg om de tegenstander de das om te doen.

In de dubbele ontmoeting tussen Bayern en Atlético bleek dat andermaal. In zowel Estadio Vincente Calderón als dinsdag in de Allianz Arena hadden de Duitsers verreweg het meeste balbezit (69-31% en 68-32%) en de doelpogingen (19-11 en 34-7). De Spaanse defensie hield, zij het zo nu en dan met kunst en vliegwerk, echter stand. En hoewel dat knap is en ik oprecht kan genieten van Antoine Griezmann, voelde de uitschakeling van Bayern als onrecht.

De regel verdient daarom herziening. Er moet worden doorgespeeld tot een van de ploegen over twee wedstrijden meer heeft gescoord dan de ander. Indachtig aan Johan Cruijff, prediker van het aanvallend voetbal: “Je moet altijd zorgen dat je een doelpunt meer scoort als de tegenstander.”

Nog vaker zal een wedstrijd niet alleen sensatie, maar ook de terechte winnaar voortbrengen. Misschien kijkt mijn vriendin dan zelfs mee.