Waarom ik (voor een dag) Apeldoorners benijd

Ik ken Apeldoorn niet. Ik heb geen idee of je er lekker kunt eten, of er gezellige terrasjes zijn en of je met de gemiddelde Apeldoorner een beetje kunt lachen. Het enige wat ik ken van Apeldoorn is de grote telefoon waar mijn ouders en ik langsreden toen we een week verbleven in een vakantiepark in het naburige Beekbergen. En Apenheul.

Wat ik wel weet van Apeldoorn, is dat het vrijdag het middelpunt van de wielerwereld is, wanneer de proloog van de Giro d’Italia in de stad wordt gereden. De 198 renners – onder wie Tom Dumoulin, Steven Kruijswijk, Vincenzo Nibali en Alejandro Valverde – starten de eerste grote ronde van het jaar met een 9,8 kilometer race tegen de klok door de Gelderse stad. Langs de kant van de weg zullen de Apeldoorners samendrommen om het spektakel te aanschouwen, zoals dat nog geen jaar geleden het geval was in Utrecht, tijdens le Grand Départ.

Op zaterdag 4 juli liep ik door mijn statsie om een zo goed mogelijke plek te vinden langs het parcours. Het liefst in de schaduw, want het was die dag verzengend heet. De hele week had er al een fijn soort spanning in de stad gehangen. Er stond iets groots te gebeuren, en iedereen wilde er deel van uitmaken: etalages kleurden geel, bomen werden in doeken gewikkeld die correspondeerden met de kleuren van de in de Tour te winnen truien en kroegen rolden hun tap naar buiten.

Nu de wedstrijd daadwerkelijk werd afgeschoten hing er een Koningsdagsfeer in de stad, maar dan wel die sfeer die je alleen vindt op de leukste plekjes. Mensen van alle pluimage waren de straat opgegaan om zich onder te dompelen in de gekte. Mannen met startlijsten die wisten dat we nog maar 38 renners hoefden te wachten voordat Tom Dumoulin langs zou komen, maar ook vrouwen die na een uur vroegen of ‘Nederland nu geweest was’ en alles daar tussenin.

Waar in de stad je ook stond – wij vonden een plekje op de Maliesingel en later langs de Biltstraat – je wist wanneer je op moest letten, wanneer er een renner naderde. Een vloedgolf van geluid: geklap, gejoel en dan de zoef van een man op een fiets die op hoge snelheid passeerde. Bij iedere Nederlander of renner van LottoNL-Jumbo zwol dat geluid verder aan. Bij Dumoulin nog eens twee keer zo hard.

’s Avonds was er tijdens de feesten in de stad trots voelbaar. Trots dat zo een groot sportevenement Utrecht had aangedaan en dat we er als inwoners deel van uit mochten maken.

Nadat het peloton een dag later nog door de binnenstad was geslingerd om vervolgens richting Neeltje Jans te vertrekken, voelde ik me als een kind aan het eind van zijn verjaardag: je hebt er lang naar uitgekeken en alle cadeautjes gekregen die op je lijstje stonden, maar als de laatste visite vertrekt is het weer voor minimaal een jaar voorbij.

Daarom benijd ik Apeldoorners, zij hebben het nog voor zich. Ook in hun stad zijn de bomen ingepakt en heeft de kroegbaas zijn pand roze geschilderd, wordt het mooi weer en staan de toppers op scherp. Ik kan vrijdag in de trein stappen – kost me volgens de NS maar 40 minuten – en erbij zijn, maar het zal nooit zo voelen als vorig jaar. Ik ken de Edisonlaan niet of de Zutphenstaat, ik weet niet in welke bocht ik moet gaan staan en of het lastig aankomen is op de Loolaan. Het is niet mijn stad. Dat voorrecht heb ik al gehad.

Geniet ervan Apeldoorners, voor je het weet is het voorbij.