Ik mis Pim

Ik moet eerlijk bekennen dat ik geen grote fan van Pim was. Zeker begin jaren negentig vond ik hem maar een ordinaire relnicht en daar wemelde het van in Amsterdam. Bovendien vond ik zijn geschriften belabberd geschreven en nogal onsamenhangend. Zijn politieke loopbaan hing aan elkaar van opportunisme. Net als Hans Janmaat zwalkte hij van de ene naar de andere partij tot hij noodgedwongen maar een club voor zichzelf begon.

Janmaat had ik in 1991 uitgebreid geïnterviewd voor De Groene Amsterdammer. Ik was de eerste journalist van de Linkse Kerk die de schutkring (cordon sanitaire) rond Janmaat doorbrak, met volledige instemming van mijn hoofdredacteur Martin van Amerongen. Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik daags na de publicatie van het interview helemaal verrot ben gescholden op een journalistenfuif, min of meer kreeg ik toen al het brandmerk van fascist (zeg maar de Nederlandse Curzio Malaparte).

Janmaat bleek vooral heel erg geestig en aandoenlijk, maar dat liet ik in het interview maar niet al te veel doorschemeren. Hij mocht natuurlijk niet te sympathiek worden. Janmaat ging vaak op vakantie naar Spanje met een groepje Surinaamse negers en dat heb ik er wel in verwerkt, als bewijs dat hij geen racist was want dat was hij ook niet.
Meteen daarna zei hij dat Gullit maar een luie flikker was en dat Janmaat eigenlijk een veel betere voetballer was. Enfin.
Met terugwerkende kracht blijkt het gedachtengoed van Janmaat – net als dat van Pim Fortuyn – eigenlijk helemaal niet zo radicaal. De tijden zijn veranderd en de omstandigheden en het discours zijn veel harder geworden.
Ik vond en vind het nog steeds briljant dat Pim gewoon publiekelijk bekendmaakte dat zich voor een kleine beloning liet leegslurpen door Marokkaanse schandknapen en dat hij zich liet uitwonen – al dan niet in zijn driedelige pak – in de dungeons van Mokum.

Toen de eerste berichten over de moord via radio en tv binnendruppelden – Twitter bestond niet – belde ik meteen een paar Marokkaanse vrienden. Bijna wanhopig zei ik tegen ze dat ik vurig hoopte dat de dader geen Marokkaan was. Ik zag namelijk de treinen vol Marokkanen al oostwaarts denderen (bij wijze van spreken). Ik zit nu terwijl ik dit schrijf bijna te huilen vanwege mijn eigen empathie en mijn grote hart, destijds.

Een dag na de moord op Pim pakte ik bus en trein naar Droevendaal, de vunzige biotoop waar Volkert van der Graaf’s krankzinnige gedachtengoed kon ontkiemen en voortwoekeren. Ik ben ontknaapt in dat dat reservaat vol milieugekkies nabij Wageningen. De dader was een eerstejaars van de Landbouwhogeschool. Ze stonk een uur in de wind naar patchouli en droeg een grote witte onderbroek vol gaten. Bovendien kwam ze uit Dronten. Vijfentwintig jaar later keerde ik terug naar Droevendaal. Het was er nog steeds een vuile gore teringbende. De veganisten blowden zich mataglap en zopen zich dood, gezien de torens van lege kratten. Vol achterdocht werd ik ontvangen door de ‘persvoorlichter’ met een vunzige Palestijnensjaal op zijn bakkes. Hij bleek ook nog eens hoofdredacteur van de Officiële Droevendaalse Vrijheidsstaatscourant Droevendalia te zijn en vond mij uiterst subversief, als vertegenwoordiger van de burgerlijke pers, het grootkapitaal en de internationale jodenheid. Ik was een natuurlijke aartsvijand van het anarchistische bolwerk Droevendaal. Het ijs brak een beetje toen ik zei dat mijn vader in Wageningen had gestudeerd en dat ik bovendien ook nog eens ontknaapt was op Droef, zoals ze Droevendaal ook wel noemden.

Inmiddels durf ik gewoon op te schrijven dat ik Pim mis. Hij had wel raad geweten met het lethargische zooitje dat nu in Den Haag aan het pluchekleven is, wachtend op een vrije plek in de banencarrousel. Ik vermoed dat Pim & Geert elkaar niet goed hadden gelegen. Ik bedoel, Geert is ondanks zijn Liberace-kapsel nou niet bepaald het archetype van oogsnoep voor de gemiddelde nicht. Het zou natuurlijk wel leuke cock fights hebben opgeleverd in de Tweede Kamer. Verder is het allemaal achterafgeouwehoer natuurlijk. De demystificatie van Pim ging nog harder dan de aftakeling van Madonna, maar ik mis die Goddelijke Kale wel. Met hem kon je tenminste nog lachen en met die incompetente azijnbekken die nu in Den Haag zitten niet.

Descanse em paz, São Pedrinho.