Wachten op Tom

Al om 1 uur ben ik op post. Leunend op een dranghek, klapperend met mijn klapperkartonnetjes naar passerende motoragenten.
Aan de overkant kleurt een voortuin roze. Mannen met flesjes Grolsch, in roze polo’s en overhemden, en vrouwen in roze bloesjes met bijpassende sieraden. De vrouwen drinken witte wijn uit plastic glazen.
Nog vier uur tot Tom Dumoulin en heel Apeldoorn kleurt langzaam roze.

Om acht voor twee: beweging. Sabatini. Een naam als een ijssmaak. Er komt een dame naast me staan, nou ja, een vrouw. Ze draagt een wielershirt van wielerclub Lemelerveld. Steeds als er opwinding dreigt – dat wil zeggen: iedere keer dat er een renner passeert – kleppert ze met haar klepperakarton op mijn been. De vrouw hoort bij een man met een Bert & Ernie-wielershirt, die een paar meter achter ons onder een boom in een campingstoeltje zit. Hij doet niets, het lijkt alsof ie in z’n tuin zit, na de uitputtende semiklassieker Apeldoorn – Sesamstraat – Apeldoorn. Op zijn hoofd staat een petje van de Belgische krant ‘het Nieuwsblad’.
“Ik zit altijd op kop” staat erop.
Daar komt Stamsnijder. Het gejoel rolt als een golf van extase op ons af.
Nog drie uur tot Tom Dumoulin en Wielerclub Lemelerveld kleurt langzaam roze.

Zhupa. Albanië
Er komt een man naast ons staan.
“Fanclub Jelle Vanendert” staat er in Comic Sans op zijn shirt. Hij is alleen. Eenzame wielersupporters zijn de beste wielersupporters: er gaat een soort ongevaarlijk extremisme van uit. Vraag de eenzame wielersupporter iets over het verzet waarmee Danilo Di Luca destijds voor de dag kwam en hij barst los. Geef hem een rennersnaam en er volgt een gedetailleerde uitslagenlijst. Informeer bij hem hoe het met de liefde gaat, en hij zal je vertellen van alle coureurs voor wie vrouwen fataal bleken.
Deze man – hij draagt een snor, dat maakt hem gek genoeg een beetje minder eenzaam, alsof hij zo toch altijd een metgezel heeft – heeft het op zich genomen om bij iedere renner die voorbijraast op besliste toon naam en nationaliteit te noemen.
Eugen Zhupa. Albanië.
Ik zie nergens een startlijst. Die heeft hij uit zijn hoofd geleerd.
Nog twee uur tot Tom Dumoulin en de wangen van de witte wijndames kleuren langzaam roze.

Pas als alle renners een voor een voorbijkomen, realiseer je je hoeveel renners zich in een peloton verborgen houden zonder dat je er weet van hebt. Russen, Zuid-Afrikanen, Canadezen, Italianen. Een Nieuw-Zeelander zelfs. Tenminste, die beteuterd kijkende Nieuw-Zeelanders verderop zullen toch niet voor niets naar Apeldoorn zijn gekomen?
Ze zijn slechts voorprogramma vandaag. Pauze-acts. Wachtmuziekjes.
We wachten. We wachten op Tom.
Fanclub Jelle Vanendert heeft inmiddels gezelschap gekregen van een andere eenzame fanaat, in een T-shirt van Bertolli. Hij zweet, maar geen olijfolie. Deze man timet iedere renner. Volgens zijn systeem ligt een zekere Simon Keizer de hele middag op kop. Hij gelooft niet in officiële tijdmetingen. Die worden gemanipuleerd door de UCI.
Nog een uur tot Tom Dumoulin en alles wat roze kon worden, is het intussen geworden.

Het mooiste langs de kant van een wielerwedstrijd zijn de mensen die er eigenlijk niks om geven, maar toch bang zijn iets te missen. Je kunt ze herkennen aan een steeds hangeriger manier van staan en een enthousiasme dat zich naarmate de middag vordert steeds meer naar de flesjes Grolsch verplaatst.
Twee van hen staan vlakbij. Ze kennen elkaar niet, maar hebben elkaar gevonden in een gezamenlijke hekel aan Chris Froome. Ze wachten ook op Tom, maar zijn vooral druk met de analyse van de snelheid van iedere renner.
‘Die gaat snel.’
‘Nee joh.’
‘Je kunt het nauwelijks zien.’
‘Behalve als ze heel langzaam gaan.’
‘Ja.’
‘Of heel erg snel.’
‘Precies.’
‘Behalve bij die Roglic. Die ging niet hard.’
‘Ja, dat dacht jij.’
‘Eigenlijk kun je er geen zinnig woord over zeggen.’
‘Nee. Jij niet.’
Ze doden de tijd.
Ook zij wachten op Tom.
Het zoemt langs de hekken. Een lentebries. Tomtomtomtomtom.
Nog vijf renners. Nog vier. Nog drie.
Twee.

Daar is ie.
Een trein in zwart-wit.
Een hoovercraft op het droge.
Tom.
We schreeuwen. Schreeuwen.
Als ie voorbij is, blazen we.
Tomtomtomtomtom. We tillen ‘m op, we dragen ‘m.
‘Die ging heel hard,’ zegt de ene man.
‘Komt door de versnelling,’ zegt de ander.
‘Zes seconden sneller,’ zegt de derde.
‘Tom Dumoulin. Nederland,’ mompelt Fanclub Jelle Vanendert.

Hard
Tien minuten later is het zeker. Het is echt waar. Het is ongelogen.
We juichen, we hebben allemaal een beetje gewonnen.
Plastic wijnglazen vliegen door de lucht, Wielerclub Lemelerveld kleppert nog eens extra hard en een paar kilometer verderop kleurt Tom Dumoulin het allerrozest van alles en iedereen.
En naast me zegt de ene man zegt tegen de andere: ‘Ik zag het meteen, dat ie hard ging.’