De Giro in Gelderland: een verrukkelijk weekend in twee bedrijven

Zaterdag

Wachten op een wielerkoers.
Wachten, wachten en nog eens wachten.
Niet iedereen kan dat, wachten. Wachten is een kunst.
Nee, wachten is kunst.
Neem vandaag.
Zomaar een rit, zomaar een koers. Er worden, tijdens het seizoen, gemiddeld drie wielerkoersen per dag verreden, ergens op de wereld – amateurwedstrijden, jeugdkoersjes en toertochten niet meegerekend.
Niks bijzonders.
Behalve – misschien – als de wielerkoers de Giro is en de rit van Arnhem naar Nijmegen voert. Van Arnhem naar Nijmegen, ik ken dat eigenlijk alleen van de trein die uit Utrecht komt, en die in Arnhem altijd net lang genoeg stil blijft staan om je zorgen te laten maken of ie nog wel door zal rijden, en die – als hij zich toch weer op gang trekt – precies de kant op gaat die je niet verwacht.
Dat was Arnhem – Nijmegen voor mij.
Tot zaterdag.

Er zijn nog een kleine honderd kilometer te rijden en Maarten Tjallingii rijdt op kop. Er zal – in de nabije toekomst – een moment komen dat Maarten Tjallingii niet meer op kop rijdt van een wielerwedstrijd, maar daar kan (of wil) ik mij op dit moment nog geen voorstelling van maken.
Mijn vader en ik zoeken een plekje in de buurt van de finish. Boven alles uit schalt het met Brabantse g’s gesmeerde geluid van Kees Maas, de speaker die, in de verre toekomst misschien niet meer bij elke Nederlandse koers van belang te horen zal zijn – maar erg waarschijnlijk is dat niet.
Nog 93 kilometerrrrr en Maarten Tjallingii ligt nog altijd op kop dames en heren, de man uit Arrrrnhem die eind juni afscheid neemt van de wedstrijdsporrrrrt. Maarrrrten de vegetarierrrrr. En in twenty kilometres we approach the king of the mountains op de Zevenheuvelenweg. Anthony, are you ready? Dat wordt rete important!’
Op dat moment rijdt Maarten Tjallingii virtueel in het roze. Mooi woord, virtueel. Als je de krant mag geloven – en dat doe ik altijd maar, je moet verdorie toch ergens op vertrouwen – worden de virtuele en de werkelijke wereld langzaam een.
Misschien gebeurt dat vanmiddag.
Maarten Tjallingii in het roze.
Een vegetariër in een trui met de kleur van oude achterham.
Op 347 meter van de finish vinden we een plaatsje, tussen drie jongens met een sixpack Radler en een zak kaasuienchips die ik – voorzichtige schatting – op drie tweedejaars aardwetenschappen schat, al draagt er eentje wel een geruite broek die op een keuzevakje rechten zou kunnen duiden.
Als we eenmaal staan, gebeurt er lange tijd niets.
Nou ja, niets…
Af en toe waait het een beetje, er waait eens een wolk voor de zon en naast ons trekt de ruitenbroek een zakje borrelnoten open. Huismerk. Noem dat maar niets.
We wachten. Wachten op een wielerkoers is een van de fijnste soorten wachten. Meer dan welke andere soorten van wachten – en dat is inclusief het stoplicht, de wachtkamer van de kaakchirurg en de oudere mevrouw die bij de kassa haar portemonnee omkeert, op zoek naar de ‘vijfendertig cent voor erbij’.
Wachten op een wielerkoers moet je ondergaan. Je kunt niet anders dan je eraan overgeven. Je kunt nergens heen – al moet je nog zo nodig, al neemt de zin om je misselijk te eten aan een grote softijs (discodip!) nog zo bezit van je – je moet blijven staan. Straks staat er een man met een selfiestick op je plek en dat vergeef je jezelf nooit.
Wie wacht op een wielerkoers, gaat op rare dingen letten.
Op de mensen van de organisatie, die schijnbaar frisgewassen door de hitte richting de finish wandelen, met gezichten die oefening verraden in het wandelen terwijl honderden zweterige borrelnootjeseters toekijken. Of op stelletjes waarvan de jongen z’n meisje heeft meegenomen. Je kunt ze herkennen aan hun zwijgen. Een zwijgen vol onuitgesproken gedachten is dat, zowel van hem (‘Geniet ze wel?’) als van haar (‘Ach, als hij maar geniet’).
Wachten op een wielerkoers is vissen. Zonder hengel, zonder water – maar verder: sprekend vissen.
De Radlerjongens naast ons wisselen recepten uit.
‘Je moet het eigenlijk minstens een uur laten trekken, dan komt de smaak van de kruiden echt in het vlees, weet je wel?’
Iedereen om ons heen draagt een roze slinger. Die worden gratis uitgedeeld. Zelfs mijn vader draagt een roze slinger – even. Zelfs de hond die even verderop achter een boompje rillend een hoop probeert te produceren, draagt een roze slinger.
Iedereen draagt een roze slinger.
Iedereen.
Alleen ik niet.
Waarom niet?
Is er iets mis met mij?
Waarom probeer ik uit alle macht anders te zijn? Waarom ben ik zo flauw? Wat is er mis met een roze slinger?
Ben ik uniek, of eenzaam?
Het antwoord komt van een meisje dat briefjes uitdeelt langs het parkoers. Op de voorkant staat een fiets, op de achterkant een tekst: ‘Heb je problemen? Heb je schulden, voel je je verdrietig, of eenzaam? Denk aan God. God houdt van alle mensen. Ook van jou’.

Nog veertig kilometer.
Nog een uur.
Kees Maas maakt een dansje met de mascotte, de zon zakt een beetje, over alles in Nijmegen ligt de gloed van goud en borrelnootjes. O, als je toch altijd zo zou kunnen blijven wachten, als de koers altijd een kilometer of 25 van je verwijderd bleef en Kees Maas ons wakker hield.
Als Maarten Tjallingii toch eens altijd voorop zou kunnen blijven fietsen….
Naast mij zegt een jongen:
‘En dan nog een paprika, als je dat lekker vindt.’
‘Basilicum?’
‘Kan. Hoeft niet. Borrelnootje?’

Zondag
Dit is niet de dag van Marcel Kittel, met z’n James Dean-achtige hoofd, die topkuif en die benen van schokbeton. Niet de dag ook van Tom Dumoulin, die het babyroze voorlopig voor het laatst draagt als een man. Niet de dag van prachtig Arnhem op een lome middag, niet de dag van de frons van Frank de Boer of van de steeltjesogen van Philip Cocu. Deze dag, zondag 8 mei 2016, is de dag van Maarten Tjallingii.

Ik schreef ooit eens over Maarten Tjallingii dat hij een harde is. Een spijkerbed van een vent, met benzine in de aderen. Dat hij wel eens op trainingskamp naar Lapland gaat, schreef ik, houten banden mee en met een geweer op de rug om het avondeten te schieten: een eland voor vrouw en kind en een stronk selderij voor zichzelf. Want: Maarten Tjallingii is vegetariër. Dat wordt er nogal eens bij vermeld als het over hem gaat, en over zijn ontsnappingen die vaak al ver voor de start beginnen.
‘En dat allemaal op een stuk prei en een wortel,’ roepen commentatoren dan verbijsterd. Wat zij niet weten, is dat Maarten Tjallingii alleen op even dagen eet. Iedere dag voedsel tot je nemen vindt hij loze aanstellerij. Op oneven dagen beperkt hij zich tot een kroes smeltwater dat in ijskoude beekjes van de Posbank gestroomd komt.
Dat kun je hard vinden, maar Maarten Tjallingii vindt dat doodnormaal. Vroeger waren alle renners zo, volgens Maarten. Die beklommen niet alleen een berg, maar bestraatten hem gelijk ook even. Vroeger bestond de bevoorradingszone nog gewoon uit een riviertje en honderd hengels zonder aas en zoek het maar uit verder.
Vroeger, ja vroeger…
Veel mensen denken dat Maarten Tjallingii uit het verleden komt, dat hij door een tragische vergissing van Professor Barabas in het moderne profpeloton is beland. Dat hij, in de Giro van 1916 al van start ging, dat hij iedere nacht sliep in een tent van rijstpapier, die hij opzette in de buurt van de startstreep van de volgende dag. Nou ja, sliep… Voor zover je die tukjes tussen het op afstand houden van roedels Apenijnse wolven slapen kunt noemen natuurlijk.
Zo staat het allemaal in het betere wielergeschiedenisboek, maar het is een verzinsel.
Een begrijpelijk verzinsel, maar toch.
De werkelijkheid is, zoals vaak, nog veel gekker.

In werkelijkheid is Maarten Tjallingii afkomstig van de planeet Krypton – bekend van de Ronde van Krypton. En van Superman, ja. Ook op Krypton reed Maarten destijds al uren alleen vooruit, maar dat vonden de bewoners daar heel gewoon. Iedereen op Krypton reed alleen voor het peloton uit, dagen en dagen achter elkaar. Dat was nog een heel gedoe voor de commentatoren. Toen Krypton vernietigd werd en alle bewoners van de planeet – inclusief Superman, en zijn ouder s– in een van alle gemakken voorzien ruimteschip naar de Aarde vertrokken, hielden ze ook voor Maarten een plekje vrij.
‘Doe geen moeite,’ zei hij en stapte op zijn fiets.
Zo werd Maarten Tjallingii Arnhemmer. Hij koos een onopvallend beroep: een ouder wordende meesterknecht bij een middelgrote Nederlandse wielerploeg. Slechts bij hoge uitzondering – vaak tussen Milaan en San Remo en anders wel tussen Parijs en Roubaix – mocht hij zich laten gaan – de benzine kruipt waar hij niet gaan kan.

Maar genoeg geschiedenis.
Terug naar het heden.
Vandaag, 8 mei 2016, rijdt Maarten Tjallingii de hele dag voorop.
Voor ons stervelingen is dat tamelijk lang.
Gisteren deed hij precies hetzelfde.
Voor ons stervelingen is dat tamelijk ongelofelijk.
Hij rijdt daar vooraan met maar 1 doel: de blauwe bergtrui. De Maglia Azzura. Als er een trui zou bestaan voor de mooiste truiennaam in de Giro, dan ging ie vast naar de Maglia Azzura.
Op de Posbank moet het gebeuren. De Posbank: een hele heuvel voor ons, normale stervelingen, een bultje voor een beetje Giro-renner. En voor een Maarten Tjallingii? Voor Maarten Tjallingii is de Posbank een stofzuiger midden in de kamer, waar je bijtijds overheen moet stappen, anders struikel je.
Het lijkt niet eens op een sprint. Maarten schraapt twee keer zijn keel en wint.
Blauw in de pocket.
Op de Belgische televisie wordt gezwegen. Jose de Cauwer is met stomheid geslagen en als je goed luistert, hoor je hem verwoed slikken. Die brok die daar in zijn keel zit, is er een van 24-karaats wielerliefde.

Ongeveer drie kwartier later staat Maarten Tjallingii op het podium. In z’n supermanblauw. Hij wuift met z’n boeket naar z’n publiek, alsof hij een Boeing veilig de landingsbaan op moet loodsen. En even is iedere Arnhemmer, iedere Nederlander, iedereen die ergens ter wereld naar deze beelden zit te kijken, even zijn we allemaal overtuigd Tjallingiiaan. En in een zonnestelsel hier ver, ver vandaan, juichen een paar in het roze gehulde aliens om het hardst en nemen nog een wortel.