Douwe Bob gaat winnen

‘Gaat Douwe Bob winnen?’ typte ik in op de website waarzegging.nl. De digitale paragnost antwoordde: ‘Je energie gaat daar waar je je aandacht op richt. Zorg dat je positief denkt om positieve resultaten te krijgen!’ Zelf had ik op een ja/nee-vraag gewoon ‘ja’ of ‘nee’ geantwoord, maar wie ben ik? Geen digitale paragnost in ieder geval.

Op toekomst-voorspellen.nl kwamen ze iets meer to the point: ‘Soms win je, en soms leer je. Vertrouw erop dat elke uitkomst in jouw voordeel is.’ Omdat Nederland songfestivaltechnisch vooral veel geleerd had de afgelopen veertig edities, vertrouwde ik nu op een voordeligere uitkomst. En omdat we dit jaar Douwe Bob hebben natuurlijk. Want wat weten die bookmakers nou helemaal?

‘Douwe Bob wordt vaak met (Johnny) Cash vergeleken’ stond gister in de Volkskant. ‘Maar kom op, Bob is geen Cash.’

Maar Bob is wél Douwe Bob.

Polen mag dan een gepijnigde dompteur met een vlijmscherp snorretje en Katja Schuurman-krullen een powerballad laten zingen, met een drietal lichtgevende elektrische violen op de achtergrond…

Maar wij hebben Douwe Bob.

Cyprus heeft misschien ijzeren kooien gevuld met gespierde en gepiercete mannen met oogpotlood op…

Maar dan ken je Douwe Bob nog niet.

Douwe Bob heeft namelijk de pretoogjes van André Claveau (Frankrijk, 1958), de vastberadenheid van Jean-Claude Pascal (Luxemburg, 1961), de heupjes van Salomé (Spanje, 1969), de lokken van Johnny Logan (Ierland, 1987), het enthousiasme van Bucks Fizz (Verenigd Koninkrijk, 1981), de harmonieuze koortjes van Gali Atari & Milk & Honey (Israel, 1979) en het strakke pak van Brotherhood of Men (Verenigd Koninkrijk, 1976). Dat heb ik allemaal empirisch vastgesteld door de winnaars van het songfestival sinds 1956 aan een grondige analyse te onderwerpen.

Kan Rusland wel hysterische vogelvisuals inzenden, en een knappe zanger die, nadat hij ondersteboven in een pot groene stylinggel is gehangen, met een sliertenstaart over geprojecteerde ijsschotsen springt…

Maar, mensen, wij hebben dus Douwe Bob hè.

België mag dan een schattige tiener met blonde poppenkrullen, een Toppers-kostuumpje en een dijk van een disconummertje hebben…

Nou goed, België is ook wel aardig, daar ben ik heel eerlijk in. Maar toch, het is geen Douwe Bob.

We zagen Douwe Bob op een galopperend paard, het opstuivende zand als metafoor voor de achtergelaten stadsdrukte, we zagen hem in zijn blote billen het water in springen en concludeerden dat het eigenlijk best een grappig ventje is. We waren getuige van het aandoenlijke geknijp met zijn ogen, van hoe goed de kleur indigo hem staat en van de knipoog die Elvis’ beroemde wink deed verbleken. We hoorden zijn stem als een klok en zagen dat hij zowel een klein roze handdoekje als de kimono die Owe Sandström in 1976 ontwierp voor songfestivalwinnaars Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid prima kon hebben.

En we zagen vooral allemaal dat het goed was.