Waarom we niet moeten lachen om seksisme

Johan Derksen kent geen vrouwen met een goede muzieksmaak, vertelde hij afgelopen week in De Wereld Draait Door na een gretig voorzetje van Matthijs van Nieuwkerk. Hij zat daar om 40UP te promoten, een online radiostation voor en door witte mannen van middelbare leeftijd. Hebben die stakkers ook eens iets leuks voor zichzelf.

Maar goed, Derksen kent dus geen vrouwen met een goede muzieksmaak, wat vooral iets over hem en zijn sociale kringen zegt, en niet per se iets over vrouwen. In de studio klonk desondanks een bulderend gelach. Op de achtergrond zag je de zangeres van Amber Arcades nog net het universele what the fuck-gebaar maken, met een opgeheven rechterhand en haar wenkbrauwen in standje oh-no-he-didn’t. Derksen keek glunderend over de rand van zijn brilletje heen en voegde er, aangemoedigd door het geschater, aan toe: “En ik heb er toch heel wat versleten, maar nee.” Kostelijk. Nu nog een schuin mopje en hij kon weer met opgeheven hoofd naar huis.

In de papieren HP/De Tijd staat deze maand een groot interview met Maxim Hartman. ‘Ik word steeds beloond voor krankzinnig gedrag,’ zegt hij daarin. Terecht. Ook ik ben dol op krankzinnig gedrag, en Hartman was er al een grootmeester in toen ik nog met zijwieltjes fietste. Maar de laatste tijd wordt hij niet beloond voor écht krankzinnig gedrag, maar voor uitgekauwde seksistische grapjes over vrouwen die te veel praten, te weinig pijpen of een te dikke reet hebben. Same old, same old. Hij vulde er een boek getiteld De Nationale Vrouwenspotgids mee. En wie niet meelacht om alle opgenomen stereotypen is een humorloze feeks of een ‘zure enge kut’ (dixit Hartman).

‘Word niet boos, maar lách om alledaags seksisme,’ schreef Sylvia Witteman onlangs in de Volkskrant over de feministische essaybundel Vrouwen schrijven niet met hun tieten. Lachen als remedie. Niet zeiken maar schouders eronder, dat is wat coole no-nonsense vrouwen doen. En als seksistische gebbetjes niet zo’n enorm podium kregen op primetime televisie en in de grootste kranten, zou het misschien nog werken ook.

Schrijver en innovatiestrateeg Marianne Zwagerman gaf deze maand in een vraaggesprek met Glamour toe dat ze denkt dat vrouwen harder moeten werken om aan de top te komen en ook harder op hun uiterlijk worden afgerekend, maar besloot toch: ‘Weet je? We moeten het allemaal niet zo serieus nemen. Het is nu eenmaal oneerlijk verdeeld in de wereld. Smile and deal with it, denk ik dan.’ Maar waarom zou je een oneerlijke verdeling in godsnaam niet zo serieus nemen? Waarom zou je erom lachen en ermee dealen, terwijl je er ook voor kunt zorgen dat die verdeling minder oneerlijk wordt? Door steeds opnieuw misstanden aan te kaarten en te blijven roeren waar het stinkt.

Stel je seksisme eens voor als een grote hoop stront midden in je huiskamer, precies tussen de bank en de televisie. Je weet niet wie hem er heeft neergelegd, maar hij stinkt als de neten. Dan kun je er schaapachtig naar zitten lachen, of wachten tot iemand anders hem op komt ruimen. Je kunt er met een grote boog omheen lopen en ook zo wel aan de andere kant van de kamer geraken, zij het met een omweg. Maar die lucht.

En waarom zou je steeds om die berg stront heen blijven lopen terwijl je hem ook kan oppakken en weggooien? Je krijgt misschien vieze handen, en een aangename of dankbare taak is het niet, maar een avondje televisie kijken zonder in de stank te zitten is ook wat waard.