#StevenKruijswijkwintdeGiro

Ik heb nieuws. (Dat gebeurt niet vaak. Meestal gaat het op deze plek als volgt: iemand maakt nieuws en ik maak daar op mijn beurt dan iets anders van, iets wat in de verte nog een klein beetje op nieuws lijkt. Nieuws is mijn alibi, de camouflagekleding waarin ik me hul op de weg richting de waanzin. Ik gebruik nieuws, het vuile werk – het maken, de poten, het bluswater – laat ik met grote graagte aan anderen over).

Kakelvers is het, dat nieuws. Ik heb het rechtstreeks vanuit de toekomst, het is nieuws van precies -1 week oud, een nog niet gelegd ei. Je zou kunnen zeggen: het is geen nieuws, het is fantasie, een voorspelling, hoop op een bedje van natte vingers. Maar dat is het niet. Ik weet het zeker: dit wordt nieuws.

Steven Kruijswijk wint de Giro.
Nog een keertje, anders leest de argeloze lezer eroverheen.
Steven Kruijswijk wint de Giro.
En dan nog een voor de sombermannen en –vrouwen die zeker weten dat Nederlandse wielrenners dat nu eenmaal niet doen, grote wielerrondes winnen.
Steven Kruijswijk wint de Giro.
En nog eentje voor de rest van de rustdag. Steven Kruijswijk wint de Giro.
En nog eentje voor achter je oor. Steven Kruijswijk wint de Giro.
En, ten slotte, nog eentje als Twitterhashtag, want dan lijkt het nog echter; het is nu eigenlijk vooral nog een kwestie van het lot overtuigen van ons gelijk.
#StevenKruijswijkwintdeGiro.

Meer dan de puntjes op de i
Het is vrij spectaculair nieuws, dat geef ik toe, temeer omdat de Giro nog vijf dagen duurt en omdat er in die dagen nog meer geklommen moet worden dan de meeste wielertoeristen in hun leven doen. We moeten echter snel zijn, dit is 2016. En we moeten stellig zijn, want dit is 2016. Dan kun je wel schrijven: ‘Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid en zonder ongelukken rijdt Steven Kruijswijk dit jaar bij de eerste vijf in de Giro’, maar daar heeft niemand wat aan. Steven zelf al helemaal niet. Het gaat erom dat de wereld collectief went aan het idee van Kruijswijk als Girowinnaar, anders is de dreun volgende week te omvangrijk. Vergelijk het met een kind krijgen zonder zwanger te zijn geweest of een andere, veel langduriger procedure te hebben doorlopen: je hebt nog geen rompertjes kunnen kopen, geen snoetepoetsertjes, geen commode en de inschrijving voor kinderdagverblijf ‘De Rozige Rakkertjes’ (wachtlijst: 14 jaar) is ook de deur nog niet uit. Maar bovenal heb je je geestelijk nog nergens op ingesteld. Je bent nog helemaal geen ouder, hoewel alle feiten in die richting wijzen.

Zo ongeveer is het ook met die Girozege van Kruijswijk: over een week wonen wij in een land met een Girowinnaar, over een week kennen we opeens allemaal iemand in Nuenen die nog met Steven heeft geknikkerd/gevoetbald/gefietst. Je hele identiteit is na maandag veranderd. Nooit nog hoef je je op Cruijff en Rembrandt en wooden shoes te beroepen als je in Ecuador in een taxi stapt. Vanaf maandag zeg je “Kroese-wiek” en de rest wijst zich vanzelf. Dat is een mentaliteitsverandering. Kijk, ik ben niet erg voor chauvinisme, trots zijn op iemand met hetzelfde paspoort als jij is niet het meest intelligente wat je kunt doen, maar soms moet je wel. Overmacht.
Ook fijn voor de mensen in Nuenen trouwens. Die moesten het, qua lokale helden, doen met Vincent van Gogh en Tanja Jess. Na maandag hebben die eindelijk een echte bekendheid.

Over overmacht gesproken. Zaterdagmiddag vond ik een foto op Twitter. Op de achtergrond zag je blauwe lucht en een paar Dolomietenpieken, en daarvoor Steven Kruijswijk, zittend op het erepodium, waar twee torenhoge missen hem op de wang hadden geraakt en een lokale oplichter hem in een roze trui had gehesen. Steven had een fles champagne aan zijn mond zoals de gemiddelde tiener een keer (en daarna nooit meer) een fles Pisang Ambon aan z’n mond heeft. Aan zijn voeten lag een fotograaf of veertig. Steven Kruijswijk had zojuist de Giro ‘op z’n kop gezet’, zoals iedereen het noemde. In werkelijkheid had hij juist even wat dingen rechtgezet, een paar onjuistheden gecorrigeerd.
Op Sporza probeerden ze Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot wakker te schudden – er werd hier verdorie een Giro gewonnen. José de Cauwer herhaalde het een keer of vijf, wat nog aan de zuinige kant was: ‘Iedereen moet beseffen dat Kruijswijk de Giro kan winnen.’
Renaat: ‘Dit zijn de puntjes op de i.’
José: ‘Dit zijn inderdaad de puntjes op de i. Dit zijn meer dan de puntjes op de i.’
Nibali, de Haai van Messina, dobberde als een sardientje op de Dolomietensneeuw die door de hitte van de voorbijrazende nummer 171 was beginnen smelten. Valverde, De Onoverwinnelijke (haha), de stijlvolle Valverde klauterde plots met de gratie van een piraat die een kinderwagen de bus in probeert te tillen, in gezelschap van wat menselijk wrakhout met een profcontract. En Amador, De Vulkaan, die door een misverstand in de roze trui was beland, implodeerde zo spectaculair als implosies kunnen worden.
Allemaal met dank aan Steven Kruijswijk, Het Vierkant van Brabant. Wat een man.
Daar zat hij, met z’n rossige trui. En de journalisten maar vragen stellen.
‘Heb je de klimtijdrit van morgen verkend?’
Verkend. Daar gaat het dus al mis, mensen die bergen verkennen. Met die onzin is het gelukkig na maandag ook afgelopen, want dan zal de School van Kruijswijk leidend zijn in het internationale wielrennen.
‘Een klim is een klim, zeg ik altijd maar.’
Zo is dat. Een klim is een klim en een rit is een rit en een Nibali is een Nibali en een Girozege is een Girozege, zeg ik altijd maar.

Ten tijde van die foto op dat erepodium bedroeg Stevens voorsprong 42 seconden. Meer dan voldoende voor een Giro-overwinning, maar toch waren de mensen (i.c. ik) er nog niet gerust in. De klimtijdrit van zondag, daar zouden de waardeverhoudingen (lekker woord) pas echt duidelijk worden.
Nou, we (i.c. ik) zagen het. We zaten erbij en we keken ernaar, zondag. Ik heb wel eens zo op de top van het Rockefeller Center gezeten, en op een bankje in het Musée d’Orsay. Overdonderd, uitgeput door alle indrukken. Je hoopt dat het nooit meer ophoudt, dat je alleen nog maar hoeft te zitten en kijken. Steven Kruijswijk reed omhoog met een soort magnetiserende onverstoorbaarheid. Zijn bovenlichaam bewoog nauwelijks, het leek alsof de romp van Steven Kruijswijk zich van de benen had losgemaakt en op een Franse camping tegen een hekje leunde. En die benen, ze maalden door. Machinaal, zou je kunnen zeggen. Maar het was meer, dat op en neer gaan van die benen. Het was soepeler dan een machine.
Renaat en José zagen het ook.
‘1.14.’
‘Jawadde.’
‘Amaiamaiamai.’
‘Kruijswijk.’
‘Stel u voor.’
‘Je bent fan, José.’
‘Ik ben fan van alles wat vooruit gaat.’
‘Nogmaals de puntjes op de i.’
‘Nogmaals de puntjes op de i. Zeven puntjes op zes i’s.’

Wennen
Na afloop van die klimtijdrit bedroeg de voorsprong van Het Vierkant van Brabant dik twee minuten. Dik twee minuten op een stralende Colombiaan zonder ploeg en een kleine drie minuten op de Haai van Messina, wiens ketting zondag van de fiets liep, maar wiens interne ketting al veel eerder van de fiets gelopen was.
Ik zou hier kunnen opsommen hoe lang dik twee minuten is en wat allemaal ook dik twee minuten duurt, om een idee te geven over welke weelde we het hebben – die Sharon Stone-scene in Basic Instinct, de Songfestivalinzending van San Marino, het zorgvuldig pellen van een mineola – maar daar begin ik niet aan. Het gaat niet om die twee minuten. Het gaat om een seconde, volgende week in Turijn. Een seconde is genoeg, meer dan een seconde is overbodige luxe.
Er kan nog zo veel gebeuren. Er gaat nog zo veel gebeuren. Nog vijf dagen. Nog drie bergritten. Nog veertig Italiaanse allianties. Nog drie uit hun graf herrijzende Russische -ov’s. Nog twaalf glibberpartijen. Nog vijf Gazzetta-voorpagina’s waarop de naam Nibali vetter staat afgedrukt dan Kruijswijk. Nog 47 directe aanvallen op het roze. Nog negen inzinkingen. Nog dik twintig gemene trucs. Nog duizend kilometer.
Desnoods crowdfunden we hem naar de streep.
Er gaat nog zoveel gebeuren. Maar Steven Kruijswijk wint de Giro. We kunnen er maar beter vast aan wennen.