De vriendin en het haar van Ozan Tufan

Misschien komt het omdat er aan mijn eigen haar geen eer te behalen valt, omdat het zich als een struik klimop tegen een onzichtbare regenpijp boven mijn hoofd naar boven slingert, zodat het slechts met handenvol flatsen prijzige krullenwax in bedwang gehouden kan worden.
Het is dat, of de kappersschaar.
Misschien is het daarom dat Ozan Tufan me zo bezighoudt. Misschien ook niet.

Gistermiddag, tijdens de openbare geweldpleging Kroatië – Turkije, riep de vriendin: ‘Ik ben voor de Turken. Goed voor m’n pool.’
U kent de vriendin niet. Ik wel. In normale tijden houdt de vriendin net zo veel van voetbal als u van asbest op uw boterham. Als ik gezellig met mijn huisgenote naar het voetballen zou willen kijken, zou ik een metalen bank en een magnetische jurk voor haar moeten kopen. Gelukkig wil ik dat niet. De vriendin heeft haar leven en ik, nou ja, ik heb haar leven niet.

Ouwe romanticus
Tot dit EK. Opeens is de vriendin niet voor de tv weg te slaan. Ze mist geen wedstrijd. Vrijdag kwam ze plotseling met de VI EK-special thuis en begon er zacht mompelend op te studeren. En dat terwijl ze zich andere jaren – jaja, we go way back, Van Nistelrooy voetbalde nog en Sjaak Swart ook – beperkte tot het zich in een oranje sumoworstelaarspak op de fiets hijsen en zich naar een kroeg begeven om daar twee uur lang WIE? WIE? WIJNALDUM! WIJNALDUM! te scanderen. Ik zat dan vaak achterin de zaak, in driedelig grijs, biddend dat de Slovenen Oranje met 0-3 van het veld zouden vegen. Gebeurde nooit; in onze verkering hebben de oranje sumoworstelaars het vaakst aan het langste eind getrokken.
Maar goed, water onder de brug, zou Guus Hiddink onder zijn voormalige snor mompelen. Dit toernooi zou ik eindelijk solo kunnen smullen, de vriendin mokkend aan de keukentafel met een puzzel van Jan van Haasteren (google maar). Lekker wedstrijdjes kijken, heerlijk man, zou de poststructuralist R. van der Gijp zeggen.
Dat was dus buiten de vriendin gerekend. Die heeft sinds vrijdagmiddag haar basiskamp op onze Ikea-tweezitter opgeslagen. Om haar heen: printjes van haar veertien EK-pools, vol XXS-aantekeningetjes in de kantlijn, halfvolle flesjes Euroshopper-icetea en agressief opengescheurde Liga Milkbreak-verpakkingen.
(Mensen vragen mij wel eens: vindt de vriendin het wel leuk, dat je zo vaak over haar schrijft? Wat ze nooit vragen, is: hoe hou je het vol, jongen?)

Zo af en toe duldt zij mij naast zich. Ik ben tenslotte ook een mens.
‘Is er al iets gebeurd?’ vraag ik.
‘SSSSSTTTTT. Gert Verheyen spreekt.’
O ja, dat is dus ook aan de hand: tussen de wedstrijden door drukt zij zich als een bezetene door de voor-, tussen- en nabeschouwingen op iedere zender die wij in ons tweekamerluciferdoosje in Utrecht kunnen binnenhengelen. Zo creëert zij een soort analyse-collage van Daniel de Ridder, Geert de Vlieger, Thierry Henry, Günter Netzer en een zwetende Italiaan met armen als molenwieken. In de meeste gevallen luistert zij trouwens helemaal niet, dat staat haar vrijheid van tactische meningsuiting haar niet toe. Hele wedstrijden lang babbelt ze over systemen, over chocoladebenen en over te weinig panache voor het doel, in het schitterende voetbalvoorbeschouwingenjargon waar begrippen als ‘relativering’ en ‘we zien wel’ geen dak boven het hoofd hebben. Het hondje bij de NOS kan wat haar betreft ‘onmiddellijk wieberen’ en met Jan Mulder is zij het per definitie oneens (‘een ouwe romanticus, niet meer van deze tijd’), net als met iedere commentator die zich een mening aanmatigt over het vertoonde spel trouwens.
‘Laat de analyse maar aan ons over, Grueter,’ roept ze dan, en maakt een geheimzinnige notitie. ‘Namen en rugnummers zijn meer dan voldoende.’

Haar
Ik had me hier lang op verheugd. Samen voetbal kijken. Acht jaar was het sappelen, en nu is het dan zo ver. Be careful what you wish for, zeggen de Engelsen dan, maar ja, dat is hetzelfde volk dat wapperend met terrasstoelen door Marseille struint, met buiken als verdedigingswallen en koppen als bulten.
Voor mij zit er weinig anders op dan te genieten van kleine dingen. Gekkigheden in de marge. ‘Niet relevant,’ zegt de vriendin, als ik giechelend het filmpje van Joachim Löw laat zien, waarop hij eerst zijn hand uitvoerig in zijn kruis laat ronddartelen en vervolgens uitgebreid aan zijn vingers gaat zitten ruiken.
De vriendin: ‘Löw. Vakman.’
En zo ging het dus gistermiddag ook, met Ozan Tufan.
Steeds weer bestudeerde ik het filmpje waarop goed te zien is hoe Tufan, vlak voor het doelpunt van Modric, in plaats van als een maniak op de bal af te stuiven, naar de plek des onheils sjokt en zijn hand door zijn haar haalt.
Ik begreep dat. Als je haar niet goed zit, functioneer je niet. Dat weet iedereen. Tijdens het schrijven van deze column heb ik mijn hand al zeker vijf keer door mijn haar gehaald. Hadden ze bij Oranje maar wat vaker hun hand door hun haar gehaald.
De vriendin was woest. De icetea sproeide door de kamer.
‘Is dat nou een vent?! Is dat nou een kerel?! Op dit niveau!’ Daarna surfte ze naar Catenaccio.nl, voor de laatste statistieken.
Je mag het natuurlijk niet zeggen, maar een oranje sumoworstelaarspak is bij nader inzien zo gek nog niet.