Black Kennedy, Rupsje Nooitgenoeg: de politieke bijnaam kan maken of kraken

Dat Donald Trump – ‘The Donald’ – de strijd om bijnamen heeft gewonnen in de race om het Amerikaanse presidentschap, moge duidelijk zijn. De bijnamen waarmee hij zijn concurrenten betitelde zijn niet meer weg te denken uit campagnes van de Republikein. ‘Lyin’ Ted’ (Ted Cruz) verloor zijn geloofwaardigheid en ‘Crooked Hillary’ verschijnt tegenwoordig ook op T-shirts.

Maar Trump is zeker niet de eerste noch de enige politicus die bijnamen geven tot kunst verheft, Trump volgt een lange traditie. Dr. Anna Gladkova telde in haar studie naar het Amerikaanse politieke landschap in 2002 maar liefst 430 bijnamen voor de toenmalige 43 presidenten.

Veel Amerikaanse presidenten staan te boek als grote sprekers, zo kreeg Ronald Reagan de bijnaam ‘The Great Communicater’ en werd Barack Obama de ‘Black Kennedy’. Maar de geschiedenis wijst uit dat met name de wrede bijnamen het goed doen in de campagnevoering.

Richard Nixon noemde zijn tegenstander Helen Douglas in 1950 ‘Pink Lady’ en werd zelf ‘Tricky Dick’, een naam die hij de rest van zijn carrière bij hem bleef dragen. En voormalig President Bill Clinton wordt nog steeds ‘Slick Willy’ genoemd.


Hoewel met wat minder bombarie, is ook de Nederlandse politiek bijnamen niet vreemd. Aan Balkenende werd regelmatig gerefereerd als ‘Harry Potter’, Harry van Bommel werd ‘Dirty Harry’ en ook wel de ‘Rob Oudkerk van de SP’ genoemd. Frits Bolkestein noemde Ad Melkert het ‘Rupsje Nooitgenoeg’ en Henk Kamp werd ‘De Sluipmoordenaar’ wegens zijn vol=vol-politiek.

De bijnamen beklijfden. Het bedenken ervan mag dan ook een nobele kunst heten.