De zeven renners in de borst van Maarten Tjallingii

Alles stroomt. Ik kan daar niet altijd even goed tegen. Dingen verdwijnen, mensen worden oud, gaan dood of drijven uit je leven weg om er nooit meer in terug te keren. De dagen zijn opgebouwd uit ontelbaar veel laatste keren. Nooit zal ik nog knikkeren, en als ik het ooit toch nog doe, dan toch in elk geval niet met eenzelfde overgave als toen ik acht was en knikkeren qua belang voor niets hoefde onder te doen.

Daarom kan ik ook niet zo goed tegen stoppende sporters. De onomkeerbaarheid ervan bedroeft me. Het enige wat nog verdrietiger is dan stoppen, is terugkeren nadat je gestopt bent. Het afsluiten van een loopbaan dient met harde hand te gebeuren. Voor eens en voor altijd. Wie omziet, is verloren. Wie terugkeert ook. (En wie niet stopt ook. Uiteindelijk is iedereen altijd verloren).

Project ‘Tjallingii’
Marco van Basten dribbelde een rondje door San Siro, wuifde, liet iedereen huilen en verdween. Zo moet het. Zijn terugkeer, later, als trainer, was begrijpelijk, maar doodzonde.
Gisteren stopte Maarten Tjallingii met wielrennen. Niet gedwongen, door een blessure of zo, maar zorgvuldig gepland. In Nederland. Op het moment dat hij nog een van de beste Nederlandse wielrenners is.
Straks wordt hij 39. Het is mooi geweest.
Een van zijn ploegmaten noemde hem deze week ‘zeven renners ineen’. Vaak zijn dat soort uitspraken overdrachtelijk, een gebruikmaking van dichterlijke vrijheid om duidelijk te maken dat iemand altijd heeft gedaan wat-ie kon, dat hij heeft gewerkt als een os en gereden als een oude Volvo. Het aardige aan het geval Maarten Tjallingii – en dat kan ik nu wel bekendmaken, want hij fietst toch niet meer – is dat hij daadwerkelijk al die tijd zeven renners was. Een amalgaam van zeven coureurs was hij, in een dubieus, hoogst geheim en destijds nog door de Rabobank gefinancierd wetenschappelijk project (codenaam ‘Tjallingii’) waar geen journalist de onderzoeksgrage vingers ooit aan heeft durven branden. U dacht toch niet dat ‘tjallingii’ een echte naam was? Misschien is het wel zo aardig om de deelnemers aan dat experiment – zij rusten in vrede in Maartens brede borst – op deze plek nog even kort in het zonnetje te zetten.

  1. Sjoerd Hagenouw, de trouwste knecht uit de geschiedenis van het Westlandse wielrennen.
  2. Bart Gras, de nimmer versagende kasseienvreter uit Oss.
  3. Cor ‘Tofuboy’ Meinema, de sympathieke machtsklimmer uit Bovenkarspel
  4. Jacco Louwman, de mediagenieke intellectueel uit Amsterdam-Osdorp
  5. Fred Brentjens, de mountainbikende klarinettist uit Eibergen
  6. Jonas Geuyen, puntdichter te Roggel.
  7. Fausto Coppi.

De morgen van eergisteren
Vanaf vandaag is Maarten Tjallingii geen wielrenner meer. Dat moet vreemd zijn. Het ene moment ben je het nog, dan is daar de finish en dat was het dan. Het hoofd weet: het is over, maar wat weet het hoofd er helemaal van? Alle overige delen van het rennerslijf gaan gewoon door. Die stoppen niet zomaar, op een junizondag. Wat Mulisch zei over de ziel, dat ie te paard gaat, dat had ie ook over het ijzeren lijf van de zeventrapsraket Maarten Tjallingii kunnen zeggen. Postuum, dan.
De koers gaat door, de Tour nadert en Maarten Tjallingii blijft achter. Ik ga ‘m missen. Hij schijnt allemaal te gekke toekomstplannen te hebben gemaakt, maar wat heb ik daaraan? Als het aan mij lag fietste hij eindeloos door. Als het aan mij lag, stopte niemand ooit, hield niets er ooit mee op, was de huid van mijn wijsvinger nog altijd geschaafd en gezwollen van het ziekelijk knikkeren.
‘Morgen weer een nieuwe dag,’ zei Maarten Tjallingii gisteren, na de koers. Zijn eerste woorden als ex-renner.
Ja, dat zal wel wezen. Maar voor nu houd ik even meer van de morgen van eergisteren.