Zomerfeuilleton I: Een sportloze Sportzomer

‘Zullen we een ijsje gaan halen?’

Het was Rody die het voorstelde. Het was al weken te heet om meer te doen dan strikt noodzakelijk. We lagen op de bank. We droegen zo weinig mogelijk kleren. Rosie liep voortdurend in een bloemetjesbikini, met een rode bermuda eronder, ikzelf droeg een voetbalbroekje en een wit hemd en Rody alleen een blauw geruite pyjamabroek van dunne stof. We liepen op slippers, Rosie op blote voeten. Als we al liepen. De dunne gordijnen bleven de hele dag gesloten, maar dat hielp niets: het licht van de zon drong overal door, tot in de wc aan toe, en daar kon eigenlijk helemaal geen daglicht komen.
De hitte maakte alles loom. De wereld, en ons ook. Vooral ons. We keken films en dronken lichtroze limonade uit grote kannen met ijsblokjes. Dat wil zeggen: we hadden alle drie onze eigen kan. Soms, als de film ons goed bevallen was, keken we na de aftiteling een tijdje zwijgend naar het menu van de dvd. Soms begon de film dan uit zichzelf opnieuw, alsof hij er genoeg van had nog langer te wachten. De banken waren wit en stonden in een rechte hoek tegenover de reusachtige tv. Rody en Rosie lagen samen op de driepersoonsbank, ik alleen op de tweepersoons. Onze vellen kleefden aan het leer. Als iemand opstond, of ging verzitten, hoorde je een zacht scheurend geluid.
Het was Rody’s huis, het waren Rody’s banken. Die waren, net als alles in het huis trouwens, uitgezocht door Marieke. Marieke, die overal Rody’s ‘jeugdvriendin’ werd genoemd. Het klonk als ‘jeugdzonde’, dat woord. Tussen Marieke en Rody was het al een tijdje uit, en hij vertelde niet waarom. Zelfs tegen ons zei hij er niets over. Volgens hem omdat het niemand iets aanging, zelfs ons niet. Zijn beste vrienden. Het was iets tussen hem en haar. Ik vermoedde dat zijn niet te beteugelen drang het met andere vrouwen aan te leggen er misschien iets mee te maken had, maar wat maakte het eigenlijk uit?
‘Ja. Laten we in godsnaam een ijsje gaan halen.’ Dat was Rosie, die dat zei. Ik vond alles prima, de hele zomer al.
Onze telefoons stonden al weken uit. Boodschappen werden aan de deur bezorgd, door een jongen die geen Nederlands sprak. Ook de diners kwamen aan de deur, gebracht door steeds nieuwe jongens en meisjes op sportfietsen in de uniformjassen van een of ander nieuw bedrijf dat de maaltijden van restaurants uit de buurt aan huis leverde. Had ik ontdekt, dat bedrijf. Nou ja, ze hadden me wekenlang bestookt met folders. Nu belden we iedere dag tussen twee films door de keuken van onze voorkeur door, en dan zocht de persoon aan de andere kant van de lijn daar een restaurant bij uit.
Die bezorgers, die herkenden ons meestal niet.
De ijszaak was ons uitje. Ons loopje. De enige vorm van lichaamsbeweging die meer was dan strikt noodzakelijk. We gingen altijd ’s avonds, rond sluitingstijd. Als wij bij Mauro, kwamen, was de manshoge plastic ijshoorn al van de stoep verdwenen. Her en der op straat stonden groepjes mensen te likken. Meestal was Mauro al aan het dweilen, het bordje hing op ‘Chiuso’, maar voor ons haalde hij de deur van de knip. Mauro was gek op voetbal. Steeds opnieuw vertelde hij ons dat hij Rody nog had zien spelen, in de jeugd, bij Ajax. Zo’n man was Mauro: een man die op grijze winterzaterdagen met de auto naar Amsterdam reed en daar in zijn eentje langs een veld klappertandend naar een jeugdwedstrijd ging staan kijken waar hij niets mee te maken had. Het was goed mogelijk dat hij Rody vaker had zien spelen dan wij. Terwijl Rody in Amsterdam werd klaargestoomd tot ster, waren wij met onze eigen dingetjes bezig. Ze zeggen dat sporters egoïstisch zijn, maar het zit anders. Egoïsme impliceert een keuze voor jezelf, voor je eigen belang. Ikzelf heb nooit het gevoel gehad dat ik kon kiezen, dat ik ook niet mezelf en mijn sport op de eerste, tweede en derde plaats kon zetten. Er was alleen ik, en ik weet zeker dat voor Rody en Rosie hetzelfde gold.
Hoe wij toch in godsnaam vrienden hadden kunnen worden, ieder zonder enig oog voor de ander – dat begrijp ik nog steeds niet.