Zomerfeuilleton II: De sportloze Sportzomer

Mauro praatte wel.

‘Ik weet het niet hoor, met Lazio,’ zei hij, en liet de houten spatel waarmee hij zijn ijs uit de stalen bakken op horentjes en in bakjes kwakte door de bak brak afwaswater glijden. Zo begon hij zijn monologen altijd, met dat hij het niet wist. In de zinnen die volgden bleek dan vaak dat hij het best wist, beter dan wie ook zelfs.
‘Ze vertrouwen op spelers die te oud zijn, of gek, of allebei. Pazzi. En de trainer is een oud-speler, dus dan weet je het ook wel. Het probleem met Lazio is dat er geen plan is. Er is niks. Voorzitter wil alleen maar geld verdienen, trainer wil alleen maar geld verdienen en spelers willen zo snel mogelijk naar een andere club om daar geld te verdienen. Dat is geen club, dat is een gekkenhuis.’
In zijn monologen richtte Mauro zich altijd tot Rody. Alleen uit beleefdheid liet hij af en toe zijn blik over ons glijden, maar uit de vluchtigheid van die momenten bleek wel dat onze aanwezigheid hem maar matig kon boeien. Rody was de voetballer. In Mauro’s wereld: de enige figuur die er toe deed. Hij wist wel dat er ook andere sporten bestonden, hij had onze namen vast wel eens ergens gelezen, of in elk geval Rosie wel eens op televisie gezien. Juist Rosie. Na jaren in de schaduw van Rody was Rosie het afgelopen jaar eindelijk de bekendste van ons drieën geworden. Dat zou nog een paar maanden duren, tot de aandacht zou verflauwen, het nieuwtje eraf was. Dat zou vanzelf gaan. Als de Spelen achter de rug waren, bekommerde niemand zich nog om haar. Vanaf dat moment stond Rody weer bovenaan in ons mini-bekendheidsklassement.
Je hoeft niet te vragen wie er in dat klassement rotsvast op plek drie stond.
‘Kijk jij nog steeds niet?’ vroeg Mauro aan Rody. ‘Jullie. Kijken jullie nog steeds niet?’
Rody schudde zijn hoofd.
Mauro metselde een kwak citroenijs op een horentje, schuin bovenop de chocola. Dit was Rosies ijsje. We namen steeds hetzelfde, negentien dagen achter elkaar intussen. Dezelfde smaken, op een horentje. De eerste keer dat Rosie citroen met chocola had besteld, had Mauro nog gekweld gekeken, als een kunstenaar die ziet hoe zijn kunstwerk ondersteboven boven de bank van zijn mecenas hangt.
‘Chocola en citroen mag niet. Niet samen. Chocola lekker, en citroen heel lekker, maar niet samen. Nooit samen.’
Rosie had voet bij stuk gehouden, die eerste keer en alle volgende keren.
Rosie hield altijd voet bij stuk. Dat kon Mauro niet weten.
Likkend liepen we terug naar Rody’s huis. Iedere avond dezelfde straten, dezelfde trage stilte, dezelfde mensen die dezelfde honden uitlieten. De huizen werden steeds groter, de straten werden lanen. Voor mijn gevoel werden zelfs de honden duurder.
De straat waar Rody woonde, liep dood. Hier hield de stad op. In de voortuinen stonden hoge bomen waarin merels floten.
Er woonden veel oude mensen. Mensen die handig hadden belegd, of die na tientallen jaren ijverig sparen zich een vrijstaand huis buiten konden veroorloven. Als je Rody vroeg naar zijn wijk, of zijn huis, of hij zich thuis voelde, en of hij niet liever in het centrum woonde, dan keek hij je aan alsof niet goed snik was. Vaak zei hij niets terug, soms stelde hij een wedervraag. Altijd dezelfde.
‘Wat moet ik daar dan, in het centrum? Uitgaan? Ik moet mijn rust pakken.’
Rody sprak als een voetballer, maar hij was al best lang geen voetballer meer, ook al kreeg hij nog iedere maand bijna een ton overgemaakt. Dat zou nog twee jaar duren, dat was Manchester United contractueel verplicht. Officieel was Rody dus nog altijd voetballer, maar dan ook alleen officieel. In Manchester stelden ze al een tijd geen prijs meer op zijn aanwezigheid, en in voetballen bij een andere club had hij geen interesse. Misschien zou hij het nog wel kunnen, als hij zich ertoe zou zetten. Een aardige club in de Eredivisie, of in België. Een paar maanden hard trainen en wie weet. Hij hield nog van het spelletje, en hij was nog jong. Dat waren de dingen die Rody tegen journalisten zei, als die hem af en toe – maar wel steeds minder vaak – kwamen interviewen. In werkelijkheid was hij al geen voetballer meer. Hij had zijn zaakwaarnemer – een gladjakker met een vechthond – opdracht gegeven om iedere geïnteresseerde club te ontmoedigen door met een absurd openingsbod te komen.
‘Waarom maak je niet bekend dat je stopt?’ vroegen we soms. ‘Voor je rust. Dan kun je vooruit.’
‘Ik wil geen rust,’ antwoordde Rody dan. ‘En ik wil niet vooruit.’
‘Je zou het liefst terug willen,’ zei Rosie af en toe. Het was nooit duidelijk tegen en over wie ze het had.
Dat soort dingen, daar kon Rody dus niet tegen. Het sloeg nergens op om iets te willen wat niet kon.

Lees hier deel één van De sportloze Sportzomer van Frank Heinen.