Zo verbroederend als Pokémon GO is zelfs voetbal niet

Sinds deze week word ik vanaf de daken in mijn buurt aangestaard door diverse monsterachtige bullebakken. De Goldduck (die anders dan zijn naam misschien doet vermoeden blauw is) van Frnky4finger, de Hypno van Sleezybeat en de Pidgeotto van matties98, allemaal klaar om mijn bescheiden legertje aan slappe voetsoldaten in de pan te hakken. Ja, ik heb onder sociale druk dat rotspel Pokémon GO geïnstalleerd en zou jullie graag willen vertellen hoe vreselijk en vooral ook kinderachtig het is, maar dat is simpelweg niet waar. Het is waanzinnig.

De eerste dag liep ik, na wat amateuristisch gerommel in de achtertuin, met een donkere zonnebril op en gehuld in een lange zwarte trenchcoat door de buurt. Dekmantel: flessen en oud papier wegbrengen. Maar wat een geluk, de dichtstbijzijnde papierbak puilde uit en iets verderop leek een Shellder te zitten, een lila schaaldier met een vrij onbenullige uitstraling. Als er mensen in de buurt kwamen stopte ik snel mijn mobieltje in mijn zak. Voor missies die absoluut niet onderbroken mochten worden perfectioneerde ik mijn ‘Huh wat? Ik? Nee joh. Ik sta hier een erg belangrijke zakelijke e-mail te beantwoorden’-gezicht.

Ik begon vrij onschuldig: “Wat denk je? Helemaal naar de Plus gelopen voor twee fucking Rattata’s!”

Werd steeds strategischer: “Als ik nog een Drowzee tegenkom ga ik hem meteen — hop! — zonder pardon naar een geavanceerde versie evolueren.”

Fanatiek: “Ik moet nú gaan, er loopt hier zo’n grote krab door de buurt.”

Tot ronduit onsportief: “Je moet mij geen tips geven. Jij weet helemaal niet hoe het ís om een Hypno te vangen.”

Al 1,3 miljoen andere Nederlanders speelden ook Pokémon GO, en het is hier nog niet eens officieel gelanceerd. De andere 15,7 miljoen doen er vooralsnog graag een beetje minzaam over. Same old, same old. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid deelde deze week op Facebook een journaalfragment uit 1971 over de zogeheten klikklakrage. “Het wordt nóg moeilijker om elkaar op straat te verstaan,” klaagt een polygoonstem over het toenmalige hitspeelgoed dat bestond uit twee plastic balletjes aan touwtjes die je tegen elkaar moest laten ketsen. “Geluidsvervuilers” aldus de nieuwslezer die ook duivels speelgoed als het jankende lasso en de muzikale hamer niet onbenoemd laat. De jéúgd van tegenwoordig.

Maar uit huizen in de buurt kwamen deze week juist kinderen die ik nooit eerder buiten had gezien. Bij de ingang van het park staan groepjes jongeren en volwassenen digitaal met elkaar te matten terwijl ze af en toe vriendelijke knikjes uitwisselen. Zelf voel ik me kwiek als een hoentje omdat ik elke dag minimaal tienduizend stappen zet, en ik heb eindelijk iets om over te praten met de autistische kantoorgenoot die voorheen alleen ‘Bàà’ tegen me zei. Dat kinderachtige Japanse spelletje heeft hetzelfde verbroederende effect als een door het Nederlands elftal gewonnen voetbalwedstrijd.

Maar goed, mijn Golbat is klaar om te battelen. De dichtstbijzijnde arena, officiële term: PokéGym, heet ‘Eenheid in verscheidenheid’, naar de abstracte sculptuur op die locatie. Dat zijn twee verschillende gezichtshelften die, als yin en yang, in elkaar passen.