Zomerfeuilleton III: De sportloze Sportzomer

We waren vlak bij huis en de ijsjes waren op.

Ik liep met een leeg bakje in mijn hand, en ik zag onmiddellijk dat de man aan de overkant van de straat niet in de buurt hoorde. Het was zijn scharrelen, het doelloze heen en weer lopen van iemand die ergens op wacht, maar niet precies weet waarop.
Toen hij ons in het oog kreeg, kreeg zijn hele manier van doen iets sluiperigs. Hij kwam niet meteen op ons af, maar keek voor de vorm eerst nog even op zijn telefoon. Misschien wilde hij later, in het artikel dat hij ongetwijfeld over deze ontmoeting zou gaan schrijven, het exacte tijdstip van de ontmoeting noteren.
‘Daar heb je er een,’ zei ik.
Rosie verstrakte. Ze was het niet gewend, en ze had niet het karakter om er ooit aan te wennen. Dat was op school al zo. We kenden elkaar pas net, we waren nog niet eens echt bevriend (al voelden we volgens mij wel alle drie dat dat er onvermijdelijk aan zat te komen), en Rosie werd Europees jeugdkampioen. Ze was, in een klas vol topsporters, de eerste die echt iets tastbaars presteerde. Rody was de belofte, toen al, over hem werd op tv gesproken alsof hij het Noord-Hollandse neefje van Maradona was, maar behalve een handvol doelpunten op YouTube en een bekertje op een jeugdtoernooi dat niemand kende, werd zijn status nog vooral gestut door de overspannen verwachtingen van anderen. Zelf sprak hij over zijn prestaties altijd met de verveelde nonchalance die het gevolg is van een teveel aan talent. Mensen noemden hem de Nieuwe Cruijff, de Nieuwe Van Basten, de Nieuwe weet-ik-veel, maar dat interesseerde hem geen zak. Misschien voelde hij toen al dat hij op zijn top was, op z’n veertiende, dat het hem aan een paar, voor volwassen topsport noodzakelijke eigenschappen ontbrak. ‘Hij kent zichzelf zo goed,’ zeiden mensen over Rody. Te goed, zou je achteraf kunnen zeggen.
Maar Rosie werd dus Europees jeugdkampioen. Twee keer zelfs, op de vijftig en honderd meter schoolslag. Om eerlijk te zijn, was niemand in de klas er echt mee bezig, behalve wij, haar vrienden in wording. De leraren grepen destijds iedere gelegenheid aan om scholieren die minder courante sporten beoefenden op de voorgrond te plaatsen. Kinderachtig, maar zo ging dat. Rosie kreeg een heuse huldiging in de aula, in de grote pauze. Alle leerlingen moesten er verplicht heen. De rector sprak en Rosie kreeg een reusachtige bos bloemen. Haar hoofd was vuurrood, die hele dag. Toen ik haar die middag naar het zwembad zag fietsen, was het boeket verdwenen. Bas, een schermbelofte die later van een paard zou vallen en verlamd zou raken, vond het in de bosjes bij de ingang.

De scharrelende man stak de straat over. Terwijl hij liep, voerde hij zijn tempo op, alsof hij van plan was ons midscheeps te rammen.
‘Gewoon doorlopen,’ zei Rody.
‘Niet laten zien dat je bang bent,’ vulde ik aan. ‘Dat ruiken ze.’

Lees hier deel één en twee van De sportloze Sportzomer van Frank Heinen.