Zomerfeuilleton VI: De sportloze Sportzomer

‘Over wat voor afspraak had hij het nou?’

We lagen weer op de bank. We keken Intouchables, maar we waren niet erg onder de indruk. Onwaarschijnlijk en klef, vonden we het.
‘Hij zou me volgen, voor een groot portret in de krant, op de dag van de Olympische finale. De honderd meter.’ Rosie blies met haar rietje bellen in de limonade. ‘Hij leek best aardig, en Jacco vond dat ik het moest doen.’ Jacco was Rosies manager – niet zo’n klassieke gladjanus als die van Rody, maar meer het soort gast dat je in zo’n oplichtersprogramma aantreft omdat hij reizen aanbiedt die hij niet kan leveren, of omdat hij raskatten met ziektes verkoopt. Aan Jacco zat iets aandoenlijks, hij was niet in staat ook maar enigszins te verhullen dat hij in Rosie een zwemmend pakket bankbiljetten zag, en dat nam me voor hem in en ik vermoed dat voor Rosie hetzelfde gold, al hadden we het er nooit echt over gehad. Na de positieve test had hij zijn handen van haar afgetrokken en haar laten vallen alsof ze een hete ovenschaal was die hij zonder ovenwanten had proberen aan te pakken. Ook dat verbaasde me niets, en ik geloof dat Rosie er wel om had kunnen lachen.
Het was nog altijd heet in huis. Intouchables stond op pauze, die feelgoodscène op dat klassieke huiskamerconcert waarbij de assistent van die verlamde kerel wat oenige discomuziek opzet zonder dat iemand daartegen in protest komt, was de druppel geweest. Wat een onzin.
Noch Rody noch ik hadden contact met Rosie gezocht toen er gebeurde wat er was gebeurd. Positief, contra-expertise, schorsing, adieu Spelen. We wachtten tot zij ons berichtte, we wisten dat ze dat uiteindelijk zou doen. “Iedereen belazerd”, kopte de krant van de vastberaden oortjes-columnist. Iedereen, maar ons niet. Wij voelden ons niet belazerd, wij hadden nooit een afspraak over vals spelen gemaakt, wij hadden nooit gevraagd waar die pukkeltjes op haar voorhoofd vandaan kwamen, zoals zij mij nooit had gevraagd waarom ik in motels op consult ging bij een huisarts en zoals ik Rody nooit had gevraagd wat hem bezielde om zijn carrière zo doelgericht naar de knoppen te hebben. Het deed er niet toe. Voor alle anderen misschien wel, maar niet voor ons.
Onze vriendschap was er niet een van praten. Het was er een van zwijgen, van stil gezelschap. Van wie het idee was geweest om ons een hele Sportzomer lang op te sluiten in Rody’s wanstaltige villa en in een smakeloos ingerichte wachtkamer te wachten tot het allemaal achter de rug was, weet ik niet meer. Drie maanden moest het duren. Een seizoen. Het EK en de Tour en de Spelen. Onszelf verdoven met een zwijgen waarin geen enkel onuitgesproken verwijt zat. Langzaam maar zeker vergeten worden, net zo lang tot we onszelf vergeten zouden zijn.

Ook ’s avonds week de hitte niet van z’n plek. De schemering viel, en het enige licht in de kamer waren de rode cijfertjes van de digitale klok van de magnetron en het stilstaande beeld van Intouchables. De ventilatoren zoemden, en uit een van de omringende parktuinen zweefde de lucht van verbrand vlees de woonkamer binnen.

Lees hier deel één, twee, drie, vier en vijf van De sportloze Sportzomer van Frank Heinen.