Mijn Twee Minuten Interview Met Dafne Schippers

Ik bestelde een biertje en in mijn ooghoek zag ik haar staan. Je kan gerust stellen dat ze mijn ooghoek volledig opvulde in haar lange, framboosrode jurk met sleep, en op haar hakken die haar nog een stuk langer maakten dan ze van zichzelf al is. En aangezien sprinters hun bovenlijf moeten cultiveren om in balans te blijven onder het rennen, is ze ook behoorlijk breed. Zodoende was er heel veel Dafne in mijn ooghoek. Ik nam mijn biertje in ontvangst en draaide me om. De Sportvrouw van het Jaar stond te praten met vrienden in de drukte bij de bar. Het sportgala was afgelopen en iedereen in de RAI wilde drank. En Dafne zien.

Van alle kanten te worden bekeken gaf haar iets ongemakkelijks. Alsof ze het stiekem leuk vond als de prinses van de avond in het middelpunt te staan en ze tegelijk verlangde naar een tartanbaan en sportschoenen, een broekje, buitenlucht.

Alleen al aan haar blonde haar, dat langs haar linkerschouder omlaag golfde, samengebonden en toch losjes, leek uren te zijn gewerkt. Dit moest haar avond worden. Het moest nu even mijn moment worden.

Haar vrienden lieten haar alleen en heel even keek ze rond. Ik greep mijn kans. Interviews met sporters waren niet de bedoeling, was vooraf gesteld, maar even voorstellen kon toch zeker wel? Dafne Schippers accepteerde mijn hand met een blik van: het zal wel weer. Dat krijg je ervan als je de grootste atlete van nu bent die de halve avond in beeld was op een groot scherm; als je triomf in Peking wel vijf keer langs is gekomen, als je als eerste Nederlander goud (en zilver) op het WK hebt gewonnen en iedereen hoopt dat je dat in Rio de Janeiro zult herhalen. Of verbeteren.

Die blik had ze: alweer zo’n hand. De bijna professionele glimlach van een prinses.

‘Mag ik je een vraag stellen?’

‘Ja hoor,’ zei ze.

‘Heb jij ooit gehoord van Tinus Osendarp?’

De atlete deinsde iets achteruit. Bij alle overweldigende indrukken nu ook nog deze rare naam. ‘Die ken ik niet,’ zei ze. ‘Maar ik ben slecht in namen.’

Ik legde haar uit dat ik aan een boek werkte over de Nederlanders op de Olympische Spelen van 1936. Dat toen Osendarp als eerste Nederlander twee keer brons won op de sprintafstanden. Een sportieve voorouder zeg maar.

Hoorde Dafne mij wel? Er hing een waas voor haar 23-jarige ogen, alsof ze eind 2015 nog moest wennen aan haar status van heldin en ze de houding van ik ben beroemd maar ook heel gewoon gebleven nog onder de knie moest krijgen. Een zoekende houding.

Haar sportieve voorouder Fanny Blankers-Koen kent ze natuurlijk wel. De heldin van Londen 1948 kent iedereen. De tragische/foute held van Berlijn 1936, Osendarp, kent haast niemand. Ook Dafne dus niet — ik vond dat belangrijk om te weten.

Dat zei ik haar en ze antwoordde zo geloofwaardig mogelijk: ‘Interessant. Succes.’

Een lange jongeman kwam op ons toegelopen. ‘Ik moet haar nu meenemen.’ Op mijn beurt wenste ik Dafne succes in Rio en daar ging ze, in haar framboosrode, volgens sommigen roze jurk van Jan Taminiau, de ontwerper van Máxima.

Nu, acht maanden later, rent Dafne Schippers in Rio, onze Máxima op spikes.