We hebben steeds meer oorlogskinderen nodig

Hij lijkt wel een pop, het Syrische jongetje dat bedekt onder een laag stof op een veel te grote oranje ambulancestoel zit. Verlegen en geschrokken kijkt hij om zich heen, bijna alsof hij een standje heeft gekregen maar zich niet meer kan herinneren waarom. Nog geen halve minuut eerder werd hij onder het puin vandaan gehaald. Hij voelt aan zijn bebloede wang, bekijkt de palm van zijn hand en veegt het bloed dan snel af aan de zitting van de stoel. Even later zitten er nog twee van die stofwolkjes in het busje.

Kinderen hebben vaak de hoofdrol in iconische oorlogsbeelden. Misschien omdat ze zo hulpeloos zijn dat we ze, meer nog dan hun ouders, compleet los kunnen koppelen van de op macht beluste gekken die de wereld kapotmaken. Omdat we ze nog niet als ‘de ander’ zien. Het zijn onbeschreven blaadjes die je met zachte potloodlijnen de gewenste kant op kunt sturen, maar tegelijkertijd zijn ze al zo getekend dat er niet tegenop te gummen valt. Onze eigen Anne Frank moest doodgaan om onze herinnering aan de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog levend te houden.

De nu 53 jaar oude Phan Thi Kim Phuc werd als negenjarige wereldberoemd nadat ze in Trảng Bàng gillend en bloot een napalmbombardement van het Zuid-Vietnamese leger ontvluchtte. Haar brandende kleren had ze uitgetrokken, haar armen gespreid als vleugels. De foto uit 1972 won de Pulitzer Prize en werd uitgeroepen tot World Press Photo van dat jaar. Het meisje werd het symbool van de Vietnamoorlog.

In datzelfde jaar werd Sharbat Gula geboren, het Afghaanse meisje dat twaalf jaar later, in een vluchtelingenkamp in Pakistan, met haar bijna lichtgevende groene ogen angstig een camera in keek. Er zaten gaten in de vermiljoenrode doek die ze losjes om haar hoofd en schouders had geslagen. Ze belandde op de cover van National Geographic en werd The First World’s Third World Mona Lisa gedoopt, waarschijnlijk vanwege die ogen waarmee ze dwars door je heen lijkt te kijken. IJzig, tragisch, maar waanzinnig mediageniek.

We hadden de vierjarige Adi Hudea die haar mollige knuisten in de lucht stak omdat ze de telelens voor een wapen aanzag. Er was het peutertje Alan Kurdi dat aanspoelde op een Turks strand nadat de opblaasboot, die hem van badplaats Bodrum naar Kos moest brengen, op vijf minuten van de kust omsloeg. Een rood T-shirtje aan, zijn gezicht in het zand, knietjes opgetrokken. En nu is daar de vijfjarige Omran Daqneesh, een poppige kleuter die door een laag stof lijkbleek afsteekt tegen de oranje stoel waar hij op zit, zijn korte beentjes vooruitgestoken.

We beschuldigen elkaar ondertussen van harteloosheid en weekhartigheid, van hypocrisie en van wegkijken. In de reacties onder zulke foto’s wordt openlijk aan de authenticiteit ervan getwijfeld, net zoals president Nixon de echtheid van het napalmmeisje betwistte. Maar zó erg kan het toch niet zijn? Blijkbaar is er een grens aan de ellende die we kunnen bevatten, en kinderen staan aan de veilige kant van die grens, ook al wonen ze in Aleppo.

Maar de Syrische burgeroorlog heeft al veel te veel iconische beelden voortgebracht. Deels doordat er tegenwoordig meer camera’s zijn, maar ook doordat onze aandacht sneller verslapt. Stoffige kleuters zijn kneepjes in je arm die je even uit de droom helpen voor je weer wegdommelt. Ze zijn een geluid dat door merg en been gaat maar even later weer verstomt. We hebben steeds meer oorlogskinderen nodig om ons wakker te houden.

En toch blijven we denken, of op zijn minst hopen, dat ze het allemaal beter gaan doen dan wij.