V-v-v-verliefd op Niki Terpstra

‘Kijk René, je moet het zo zien: het was voorgeschreven. Ik had gewoon een certificaat, een attest zogezegd van een onafhankelijke dokter die me grondig heeft onderzocht. Dat komt zo: al sinds mijn kindertijd loopt mijn geest in de loop van de zondag leeg als een ouwe ballon, om pas weer in de loop van de maandag weer een beetje te beginnen met functioneren. En dat is ingewikkeld, omdat ik dus op zondagavond en maandagochtend mijn column voor HP/De Tijd schrijf. Ik weet dat de afgelopen dagen verschillende oud-columnisten hebben beweerd dat het inspuiten van meningen prestatiebevorderend zou werken, maar ik wil hier wel even heel duidelijk stellen dat ik dit niet deed om een oneerlijk voordeel te behalen, als wel om op hetzelfde niveau als de rest te kunnen schrijven.’

‘Ik geloof er geen zak van,’ roept de vriendin van achter haar kommetje pap met rood fruit. ‘Dit zaakje stinkt!’
Ik kijk mezelf aan in de badkamerspiegel. Nee, ik geloof mezelf ook niet. Dit gaat René van den Berg, de pitbull van Namen & Rugnummers – de one and only sportbabbelshow in de regio Utrecht – niet slikken. De vriendin heeft, voor het eerst sinds ze in 2003 stelde dat je in de buurt van Lance Armstrong ‘beter geen lucifer kon afstrijken’, weer eens gelijk. Ik registreer dat slechts, ik zeg het niet, want dat kan weer leiden tot gegooi met sanseveria’s (nou ja, we hebben er eentje, naast de fruitschaal als je het weten wil, maar zij kan daar meerdere keren mee gooien, dus vandaar dat… nou ja) en het zeggen van dingen die je later onder de S van ‘spijtig’ in de archiefkasten van de verkering moet opslaan.
Bovendien hebben we allebei wel wat anders aan het bolletje.
Ik zit dus met die affaire met die intraveneus ingebrachte meningen, een dingetje van toen ik op deze zelfde plek nog iedere dag (Gekke Henkie, aangenaam) een sportcolumn schreef, jaren geleden intussen, maar bepaalde journalisten (uit de tijd dat er in de journalistiek heel andere dingen gespoten werden) gingen er nogal lekker op, dus kon ik mezelf gaan zitten verdedigen aan tafel bij René en bij Gert Kruys, de Pep Guardiola van het Utrechtse amateurvoetbal.

V-v-v-verliefd (Circus Custers)
En de vriendin? De vriendin zit in een fase, zoals dat heet.
‘ Vliefd man,’ zouden de Lullo’s in haar plaats zeggen. Die vliefdheid betreft voor de gelegenheid niet de gevierde columnist, maar Niki Terpstra. Die heeft ze zondag op tv gezien toen ik, outgeknockt door een kater van heb ik al mijn lezers daar, als een gerafeld washandje op de bank naar de ontknoping van de Eneco Tour lag te kijken.
Terpstra won en reed in een keer door naar de microfoon van Han ‘Kock’ NOS.
‘Niki, je wint hier gewoon de Eneco Tour. Hoe voel je je?’
‘Ja! In het hart van mijn gevoel heel goed. Het is nu zo stil in mij, ik heb nergens woorden voor. Ik had er wel al de hele dag zin in: gister was het de letste mooie daag van ’t joar misschien, alhoewel het in de winter daar ook donders mooi ken weez’n.’
‘Je mocht niet naar de Tour. Heeft dat je geprikkeld?’
‘Natuurlijk was het even harder dan ik hebben kon. Patrick Lefevere zei tegen me: het geeft niet als je mij het liefste nu verrot zou slaan. Als dat je wat kalmeert, laat ik jou je gang wel gaan. Maar zo ben ik niet. Als hij een man van veertig met een sigaret en een buitenaardse stof in zijn bloed de voorkeur geeft: soit. Ik Ik zei tegen mezelf: vraag jezelf eens af, ben je blij met het leven dat je leeft elke dag? En toen moest ik tegen mezelf zeggen: ja. Ik zeg ja tegen het leven, ja tegen het leven, van je amen en je gloria hoezee. Dus toen ik vanochtend het ritme van de regen hoorde, zachtjes tikkend op het zolderraam, dacht ik: vluchten kan nu weer.’
‘Het weer was deze Eneco Tour niet bepaald in je voordeel.’
‘Ik weet nog wel hoe het begon. Drie dagen zohon.’
‘Leuke jongen,’ monkelde de vriendin. Ze wees naar het scherm, waar het Paard van Troje intussen in een leiderstrui gehesen werd. ‘Goeie teksten. Lekker accentje ook.’ Ze is dol op accentjes. Geef haar een accentje en ze is tevreden. Op een onverstaanbaar dialect kan ze een week teren.
‘Hij heet Niki.’
‘Daar kan hij niks aan doen.’
‘Ik moet zo naar dat ding,’ zuchtte ik als Marie-Antoinette op de ochtend van 16 oktober 1793. Voor mijn geestesoog verschenen Gert enRené, die samen fluitend de guillotine stonden te poetsen.
‘Ik geloof je nog steeds niet. Dit zaakje stinkt.’
‘Dat is de brandstapel van RTV Utrecht die je ruikt.’
‘Gaan we nog wandelen straks?’
‘Als ik niet gelyncht ben.’
‘Dus als jij terugkomt, gaan we naar het bos. Welke wandeling?’
‘Die van 4.’
‘Ton?’ (De vriendin denkt sinds kort in tonnen; ze heeft aandelen in het videoscheidsrechtersysteem).
‘Kilometer. Blauwe paaltjes.’

Regenboog
Nog een laatste keer controleren of ik alles bij me heb: therapeutische gebruiksuitzonderingstoestemmingsattesten, mailwisseling met HP/De Tijd en de column die een collega destijds over mij schreef nadat hij een tijdje met me had meegelopen. Conclusie: Frank Heinen is vreselijk goed, verdacht goed, maar er is geen enkele aanleiding om hem te beschuldigen van enzovoort enzovoort.
Het is zo ver. Nog een paar uur en al mijn columns uit de periode 2012-2014 zullen zijn geschrapt. Alsof ze nooit geschreven zijn. Het zal allemaal voor niets zijn geweest.
In het trappenhuis hoor ik haar nog telefoneren met een luchtvaartmaatschappij: ‘Wat doet een retourtje Qatar, begin oktober? Boemtsjikkeboem naar de zandbak. Het is vanwege de Terpmeister. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog.’