Universiteiten, breek met dit type studentenvereniging

Het circus, het bloemencorso, de paardenmarkt, de Indische rijsttafel, pijproken, Staphorster stipwerk – echt knetteren deed ons cultureel erfgoed niet. Van alle oerhollandse tradities en gebruiken was het Sinterklaasfeest nog de meest bloedstollende. Tot augustus, toen het studentenleven werd gebombardeerd tot immaterieel Nederlands erfgoed. Met bacchantisch gebulder herinnert een club studenten uit Groningen de buitenstaander er succesvol aan wat dat leven zoal inhoudt. Universiteiten, grijp in.

‘De studentenverenigingscultuur is een levende, dynamische cultuur die de sociale cohesie bevordert en belangrijk is voor de identiteit van veel studenten in Nederland,’ valt te lezen op de website van de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed Koninkrijk Nederland, die dit verenigingsleven in augustus opnam in onze gezamenlijke erfenis. De Nationale Inventaris – laten we ‘m de waakhond van ‘onze manier van leven’ noemen – onderscheidt meerdere functies van zo’n cohesiebevorderend genootschap, waaronder ‘het verenigen van studenten’, ‘het met regelmaat borrelen’, ‘stimulatie van ontmoeting’ en ‘zelfontplooiing van de leden’. Voor wie dit nog te abstract is, gaf het Groninger studentencorps Vindicat een spetterende demonstratie in de media.

Ze is ’s lands oudste studentenvereniging, zo oud als het koninkrijk zelve, en disciplineerde Maurits van Oranje, Job Cohen en Wubbo Ockels: Vindicat atque Polit, Latijn voor ‘Handhaaft en beschaaft’. Onder beschaven verstaan we ‘tot geestelijke, maatschappelijke en zedelijke ontwikkeling en verfijning brengen’. Tot 1968 behelsde dit bij Vindicat, en andere corpora, ook het kaalscheren van nieuwe leden tijdens hun ontgroening. De studentikoze moraal is in die vijftig jaar veranderd, mag je toch aannemen.

De studentencultuur kennen we van haar bloemrijke jargon (‘heet hert’ voor begeerd vrouwelijk schoon, ‘epische buiskeizer’ voor een enthousiast bierdrinker en ‘arbeiders’ voor de niet-gestudeerden), bijbehorende gutturale klanken en unieke klederdracht (ongestreken gelig witte overhemden, een das in een vorstelijk kleurtje en, afhankelijk van rang en stand, een dito jasje). Dit overigens onschuldige stereotype staat door de lullo’s, Feuten en Fleur en Madelon uit Koefnoen als huis.

Vorige week lekte de ‘Oprechte Almanak’ van Vindicat uit, een pdf-bestand waarin 23 vrouwelijke eerstejaars grondig zijn gerecenseerd door dertien mannelijke vindicaters. Eén ster voor ‘onaantrekkelijk’, vier voor ‘aantrekkelijk’. Bijbehorende telefoonnummers stond er voor het gemak bij vermeld, evenals een vakje dat een jachtige vindicater kon aanvinken als hij de dame in kwestie had ‘geregeld’ (studentengronings voor vul-maar-in). Het schandaaltje liep met een sisser af. De dertien jongemannen werden geschorst en van de 23 jongedames zal het merendeel een nieuw telefoonnummer genomen hebben.

Vlak voordat de nieuwsvlam doofde, laaide hij hevig op. NRC Handelsblad meldde woensdag dat er tijdens een ontgroeningsritueel in augustus een aspirant-lid van Vindicat dermate hard op zijn studiebol in spe is geslagen, dat hij een hersenoedeem opliep. Zes ouderejaars zijn geschorst, het aspirant-lid is inmiddels lid, en er is een ‘diepgaand onderzoek’ ingesteld.

In 1997 ligt een eerstejaars Vindicat-lid zijn roes uit te slapen in een weiland, wanneer hij overreden wordt door busje waarin een ouderejaars rijdt. Diezelfde zomer sterft Reinout Pfeiffer nadat hij een literfles jenever leegdrinkt. De volgende ochtend wordt hij door een huisgenoot dood aangetroffen in zijn kamer. De reglementen werden vervolgens aangescherpt, die en die werden geschorst, en een commissie van de Rijksuniversiteit Groningen ziet vandaag de dag toe op de ontgroeningen. En hoe!

Rotte appels, kun je deze jongens (en meisjes?) met de beste intenties noemen. Een incidentje, boys will be boys, of, zoals de studenten zelf met alcoholvochtige blikken tijdens die introductietijd schallen: Gaudeamus igitur iuvenes dum sumus, laat ons verblijden zolang we nog jong zijn.

De incidentdichtheid is nogal hoog, leert wat geblader door het krantenarchief. Bij die andere studentenvereniging in Groningen, Albertus Magnus, dronk een student zo’n zes liter water, waarna hij zijn bewustzijn verloor. Dat gebeurde niet in 1968, maar in 2005. Vijf jaar later raakte een student tijdens een uitje in Giethoorn gewond nadat hij in brand werd gestoken. Pas veertig uur later liet de 21-jarige jongen zich behandelen. Brandwonden of niet: de ontgroening ging door.

Bij het corps in Amsterdam werd tussen 1992 en 1996 een lid herhaaldelijk mishandeld door commissarissen. Voor de duidelijkheid: dit zijn de ordebewakers. In Leiden, bij LSV Minerva, raakten in 2001 de ordebewakers gewond toen leden ’s nachts een leestafel naar buiten wilden verplaatsen. In 2006 kwam de vereniging in het nieuws omdat er binnen de verenigingsmuren gewelddadige incidenten plaats hadden gevonden.

Welbeschouwd lijken al die incidenten op lekken, gaten in het ijzeren verenigingsleven waaruit een elementair probleem sijpelt. Een aantal verenigingen houdt er, naar verluidt, een pittig zwijgklimaat op na. Wie zich bij Vindicat aansluit, riskeert een boete van 25.000 euro zodra hij zijn mond voorbijpraat. Wat er zo geheim is dat je studentjes dreigt op te zadelen met een tweede studieschuld – m’n fantasie is op hol geslagen.

Universiteiten, breek met dit type studentenvereniging. De universiteit Utrecht gaf in 2002 het goede voorbeeld, door de subsidies te bevriezen voor de Utrechtse verenigingen Veritas en Unitas na een alles behalve verfijnde en zedelijke introductietijd. De Rijksuniversiteit Groningen pleit nu voor een verbod op studentenontgroeningen in de stad. Een prachtig begin.

(O, en wat dat culturele immateriële erfgoed betreft: in de motorclubcultuur schijnt ook met regelmaat te worden geborreld.)