Primeur: de grappige, wantrouwige Cruijff is ver te zoeken in zijn autobiografie

Let op: Johan Cruijff was niet, herhaal: NIET rancuneus. Hij zegt het zelf in zijn autobiografie die pas volgende week verschijnt.

Ik had een afspraak met een vriend in de stad en plotseling gaf hij mij het boek. Het Boek dus. Op de cover de korrelige Johan in een zweem van oranje. Johan Cruyff, My turn — de autobiografie die volgende week pas verschijnt nu al in mijn hand? Een grap, dacht ik even, een dummy, maar het boek had per ongeluk al in een winkel gelegen en mijn vriend had toegeslagen. Misverstandje aangaande het embargo in een boekhandel in Amsterdam. Kan je zo hebben. Leuk cadeautje voor mij, dat wel.

Twee dagen later was de stapel My turn, The autobiography alweer naar de kelder verdwenen, in afwachting van de officiële verschijning in Londen en Amsterdam (als Johan Cruijff, Mijn verhaal) op 6 oktober.

Bij wijze van voorproefje mag ik wel verklappen dat de grappige, wantrouwige, soms onnavolgbare Johan hier ver te zoeken is. Het leest vooral als de oude wijze Johan die terugblikt op werk & leven. Ghostwriter Jaap de Groot, chef-sport van De Telegraaf en vele jaren schrijver van Cruijffs columns, heeft duidelijk zijn best gedaan maestro’s gedachtestroom in samenhang te presenteren. Dat maakt het bijzonder en waardevol.

Het is ook nogal serieus leesvoer, waarin zelfs het stiekem lenen van Piet Keizers brommer in de sixties wordt vermeld als iets zoals het nu eenmaal moest zijn. Zo beziet Oude Johan de dingen: het had zo moeten zijn, anders had de vroeger zo kwetsbare ‘garnaal’ dit allemaal niet kunnen presteren en dan zou het zijn kinderen en kleinkinderen niet zo goed zijn vergaan. Op een niet-kerkelijke manier geloofde Cruijff in een God die het zo bepaalde. God die hem sterker maakte dan hij van oorsprong was.

Opmerkelijk nieuws voor de vele tegenstanders in zijn loopbaan: Johan is nooit rancuneus geweest. Nee, echt niet! Misschien hebben u en ik boeken met ezelsoren en beduimelde tijdschriften waarin hij ooit het tegenovergestelde zei, maar in de periode waarin Cruijff het opnameapparaat van De Groot volsprak, en hij inmiddels kanker bleek te hebben, zei De Verlosser: ‘Ik wil graag een misverstand uit de weg ruimen. Ik werd nooit gedreven door rancune.’ Dus ook niet in 1983, toen Johan door Ajax werd beledigd en hij wraak nam door in een Feyenoordshirt kampioen te worden. Dat u het weet.

Lief is verder dat Nederlands beste en meest elegante voetballer aller tijden zich vlak voor zijn dood leek te willen verzoenen met zijn vaderlijke vrienden van vroeger. Tussen hem en zijn oudere voetbalbroer Piet Keizer was gedoe ontstaan en met zijn vaderlijke trainer Rinus Michels had zich een raar soort vete ontwikkeld, waardoor Cruijff in 1990 geen bondscoach was geworden op het WK, wat hem tot zijn laatste snik dwars is blijven zitten.

De oude Cruijff wilde per se positief blijven denken over de ‘vaders’ die hem hielpen toen zijn eigen vader al op jonge leeftijd was overleden. En ja, óók jegens Ajax dat voor hem een plaatsvervangend gezin was geweest, bleef, ondanks het recente moddergooien onder de naam Plan Cruijff, de warmte in tact. Die vroegere hulpvaardigheid, die beschermende handen wilde hij blijven eren. Dat zijn mooie passages.

Maar het meest aandoenlijke vond ik nog zijn herinnering aan het WK 1978. De eindronde in Argentinië had hij laten lopen en nu zat Cruijff als analist in de BBC-studio te kijken naar het team dat, met hem erbij, maar dat is logisch, die finale wél zou hebben gewonnen. Johan die kijkt naar een 3-1 nederlaag en die zich voorstelt hoe hij daar als topfitte, 31-jarige aanvoerder tussen al die snippers van Buenos Aires zijn team naar de titel wijst en praat. Geweldig beeld, een jongensfantasie van een fenomeen wie altijd een voetballer is gebleven.