Peter Sagan wordt wereldkampioen en de vriendin roept ‘Asjemenou!’ (bis)

‘Gaan we nog wat leuks doen?’ vroeg de vriendin.
De zon scheen als een gek, het werk was gedaan en de zondag strekte zich spinnend voor ons uit.
‘Nee, ik moet werken. WK.’

Exit de vriendin. Norma-liter, om met maatbekerliefhebbers te spreken.
Dit keer bleef ze zitten. Onwrikbaar, als haar karakter.
‘Veel mensen weten het niet,’ ging ik zo ontmoedigend mogelijk verder, ‘maar van alle wielerkoersen van het jaar is het WK de meest wielerkoerserige van allemaal. Alles wat wielrennen mysterieus en onbegrijpelijk maakt, zit erin. Vergelijk het met een cocktail van een geheim recept: echt fris smaakt-ie niet, en na een paar nipjes ben je misselijk, maar het feit dat je iets drinkt waar je de ballen van snapt, vergoedt een hoop. Bovendien word je er op een zachte, aangename manier dronken van.’
Ze pakte een oude Wieler Revue van de stapel en ging er in bladeren, af en toe ‘Hmmm, Dylan Groenewegen’ mompelend.
‘Nog een vergelijking? Zie het WK als een cadeau voor iemand die je niet goed kent, iemand bij wie je met de hakken over de sloot op de uitnodigingenlijst bent beland, dan zou de wedstrijd van vandaag een door de toondove vijftienjarige Free Record Shop-medewerker op goed geluk uit het rek gegrepen (en liefdeloos ingepakte) opera-CD zijn: waarschijnlijk is het niks, een spookopname door een Oost-Duitse platenboef, maar je gaat hem toch helemaal afluisteren. Alles onder het motto van iedere rechtgeaarde faneut: Je weet maar nooit.’

Alleen belasting betalen en doodgaan
‘Hmmm,’ zei de vriendin – ze had nu bijna de hele Wieler Revue achterstevoren en ondersteboven doorgewerkt. ‘Der Kittelmeister. Benieuwd wat die er vandaag van backt.’
‘Iedere koers is een blind date, en het WK is de keizer onder de koersen. Een date, zonder dat je weet met wie, waar of wanneer.’
‘Ben je uitgemetaforeerd?’ vroeg de vriendin, wier neologismen mij altijd raken als met struisvogelveren ingepakte beeldspraken. ‘Kunnen we nu koers gaan kijken?’
(U begrijpt dit niet, maar zo gaat de vriendin te werk. Het is bijzonder uitgekookt: eerst geeft ze maandenlang geen enkele sjoege als het om wielrennen gaat, zingt doelbewust door Michel Wuyts heen, arrangeert borrels en familievisites op semiklassiekerwoensdagen en Spaansevoorbereidingskoersdonderdagen of komt plots op de proppen met een weekendje weg, op haar kosten, in de natuur, in een romantische B&B zonder tv, op de zaterdag van de Strade Bianche en de zondag van de start van Parijs-Nice. Onwetendheid, denk je dan. Kwestie van fijntjes op haar feilen wijzen en door, zou je zeggen. Maar zo werkt het niet. Het is een plan. Want je wil niet flauw doen, dus je geeft af en toe eens mee, je stelt je soepel op. Een rietpluim in een storm van onwetendheid, dat werk. Je mist eens een koers, je mist er nog eens een, je laat eens een Tourtje schieten omdat zij naar China wil – enige land waar de censor een dikke streep door Wuyts & De Cauwer zet – en voor je het weet ben je geen schim meer van wie je ooit was. Je neemt je voor om op je strepen te gaan staan, om dan toch in ieder geval geen seconde van de wegkoers van het WK te missen, ook al is dat WK een kermiskoers in een land zonder kermissen en hoezeer zij ook zal proberen je het onder het mom van ‘gezellig iets met zijn tweeën’ – dat gezellige is optioneel – te beletten. En op dat moment, je hebt je al een week schrap gezet, stort zij plots een kliko aan interesse over je uit. Dit is de overmeesteringstactiek: door die overweldigende interesse van haar in mij moet ik zo in de war raken dat alle lol in verder kijken me vergaat, en ik uit mezelf tot die ene, onvermijdelijke conclusie kom: ik ontsnap niet aan haar om koers te kijken, maar ik kijk koers om aan haar te ontsnappen. Wie na zo’n inzicht nog IJzeren Heinenig voor de tv blijft zitten, heeft geen eigenwaarde.)
‘Laten we de tv aanzetten,’ zei de vriendin ijverig.
‘Zo leuk is het nou ook weer niet. Het is in Qatar, een boorplatformvlak parkoers en alleen maar woestijn. Wordt toch een sprint. Als je vijfhonderd meter voor de streep begint met kijken, heb je niks gemist. Op een paar kamikazevalpartijen na.’
‘Wat wil je anders doen op zo’n dag? Naar buiten soms?’
‘We kunnen een stukje wandelen, langs de gracht?’
‘Wandelen wil-ie! De belangrijkste koers van het jaar is in volle gang en Frank Heinen schuifelt als een ouwe glijbaas langs de singel. Ga je kastanjes verzamelen? Of herfstbladeren? Zullen we anders naar het knoflookfestival van Appingedam? Je weet toch nooit van tevoren wat het wordt, met zo’n WK?’
‘Je hoeft dit niet te doen,’ zei ik.
‘Nee, niks moet. Alleen belasting betalen en doodgaan. Maar als ik nou wil kijken? Als ik daar dan zin in heb? Wat dan?’
Dit was ronduit smerig. Dat belastingen-zinnetje is een citaat van oud-voetballer Joost Volmer, dat ik eens uit de VI had geknipt in een periode dat ik nogal veel dacht te moeten. Het hing op mijn kamer, jarenlang. Het was drie keer meeverhuisd. Ik had er veel steun aan gehad, het was mijn ‘L’enfer, c’est les autres’, en Joost Volmer was mijn Sartre (alleen destijds hoor, inmiddels is Sartre mijn Sartre en Joost Volmer mijn Joost Volmer, zoals bij normale mensen) en de vriendin ging daar nu even op z’n Paolo Coelhoiaans mee aan de haal.

‘Echt begrijpen doe ik het niet,’ ging ze erop en erover, ‘waarom je niet al vanaf vanochtend met een aantekenblok op de bank ligt. Dan hou je van wielrennen, dan schrijf je om de haverklap over wielrennen, dan propageer je het kijken van wielrennen als een medicijn tegen bijna alles, en dan is het de belangrijkste wedstrijd van het jaar en dan doe je of de afstandsbediening onder stroom staat. Alleen maar omdat er door een woestijn gefietst wordt? Alleen omdat het mogelijk een sprint wordt, meneer Je-Weet-Maar-Nooit? Vertel mij eens: wat is er mooier dan een sprint tussen de beste sprinters ter wereld, een strijd man-tegen-man, een koninklijke aankomst tussen de sjeiks? Benieuwd trouwens wat ze bij HP/De Tijd denken van een duurbetaalde columnist die op maandag het sportnieuws moet bespreken en dan op de zondag van het WK zijn vriendin voorstelt om een stukje te gaan wandelen.’
Nu begreep ik het. Dit was haar waaier. Haar definitieve aanval op al die verloren zondagen. Ze zou me achterhalen, me voorbij steken en zich van me afwerpen als een gerafeld handdoekje. Godsamme, misschien belde ze het HP-opperhoofd wel op. Kevin. Humeur van porselein, vuist van roestvrij staal. It’s a jungle out there, en de vriendin stond op het punt mij midden ganz allein in dat opinieoerwoud achter te laten. Een geloste renner, eenzaam, net voor de bezemwagen, op weg naar de plek waar een woedende ex een bak spijkers heeft uitgestrooid.

Asjemenou
Tegen de tijd dat we de tv aanzetten, was het WK al wel zo’n beetje voorbij. 26 renners reden in gestrekte draf door een soort maanlandschap van zand en vijfsterrenhotels naar de finish. Eerst kwamen er zes Belgen, daarna negentien anderen en helemaal achteraan een Canadees van twee Doppers hoog. De 125 kilometer die volgden, zouden in die wedstrijdsituatie geen verandering brengen.
‘Ik heb nog nooit een WK gezien waar zo veel gebeurt, en zo vroeg,’ mompelde Wuyts.
‘Nou zeg,’ antwoordde de vriendin.
Even later werd overgeschakeld naar Renaat Schotte.
‘Renaat heeft postgevat in de box van Slowakije.’
‘Dit is het leven zoals het zijn gang gaat,’ zei Renaat.
‘Jaja,’ zei de vriendin.
John Degenkolb spoot eerst een Belg nat en ging toen tegen een bus zitten. Een gevelde eik. Hij keek als iemand die net 200 kilometer in een magnetron heeft gereden.
‘Ze gaan toch niet zo in een keer door naar de finish rijden?’ vroeg de vriendin. ‘Wie moet er dan sprinten? Toch niet Boonen? Dat kan toch niet? Het is verdorie 2005 niet!’
Ze reden in een keer naar de finish. Ook voor bondscoaches is wielrennen vaak een mysterie.
Michel Wuyts kreeg een appelflauwte.
‘Wie wint er,’ brulde de vriendin. ‘Wie wint er, wiewinterwiewinter?! Boonenboonen!’
Sagan won. ‘Asjemenou,’ zei de vriendin en ze sloeg met de folder van het Knoflookfestival op mijn been. ‘Asjemenou!’

‘Gaan we nog wat leuks doen?’ vroeg ik, murw gekeken.
Het zonlicht viel schuin op mijn gezicht, even nog was de middag van goud.
‘Vooruit,’ zei de vriendin. ‘Maar niet te lang a.u.b. Over tien minuten: cross in Zonhoven. Je weet maar nooit.’