We mogen mannen wel iets meer credits geven

We zijn er zo zoetjes aan wel achter dat de impliciete boodschap van ‘Ook al ben ik zwart als roet, ik meen het toch goed’ niet helemaal in de haak is. Bravo, pluimen op onze hoeden. We hebben er een half decennium over gedelibereerd maar dan kom je ook ergens. Misschien dat we het nu eens kunnen hebben over zo’n andere beroemde maar problematische zin uit het Nederlands taalgebied: ‘Jongens waren we — maar aardige jongens.’ Het is natuurlijk de openingszin van Nescio’s novelle Titaantjes uit 1915, een prachtboekje over een Amsterdamse vriendengroep met vervlogen idealen.

Vooropgesteld: romanpersonages moeten wat mij betreft de afgrijselijkste dingen uit kunnen kramen. Dat ze vrouwen bij hun kutjes willen grijpen omdat ze nu eenmaal een ster zijn, dat ze Chinezen, moslims en kinderen met voedselallergieën als minderwaardige schepsels zien, dat ze zieke zwerfhonden het liefst in de plomp zouden mieteren, anything goes. Op dat niveau is er met de uitspraak van verteller Koekebakker dan ook weinig aan de hand. Het wrange eraan is alleen dat hij, zo werd de afgelopen tijd weer eens goed duidelijk, net iets te veel over onze verknipte, nog altijd actuele kijk op jongens en mannen zegt.

Want ja, je hebt jongens, dat zijn over het algemeen blijkbaar ontzettende klerelijers maar daar kunnen ze zelf ook niks aan doen, en dan heb je de subcategorie aardige jongens, de uitzonderingen. Dat klinkt misschien onschuldig, maar met deze breed gedragen misvatting wordt keer op keer ellendig gedrag weggewuifd en goedgepraat. Boys will be boys, toch? Ze kunnen het gewoon niet helpen.

Zo werd Trumps gesnoef over seksueel geweld (Yes, The Donald has scored!) overal afgedaan als kleedkamerpraat. En Beyoncé zingt trouwens ook over seks! In een opiniestuk op Mindshakes betoogt nota bene een vrouw dat het hysterische getut over een ongevraagde tik op de billen maar eens afgelopen moet zijn. Het is geen aanranding, schrijft ze, maar een spontane bevlieging. Mannen die zulk gedrag vertonen zouden slechts dom en machteloos zijn. Ze willen onhandig stoer doen, hebben een kinderlijk brein. En wat kunnen ze daar nou aan doen? ‘Vergeef ze die sporadische lompheid,’ bagatelliseert de schrijver erop los. ‘Sommige verleidingen zijn onweerstaanbaar.’

In het geval van dieren denk ik soms in termen van domheid en spontane bevliegingen. Als mijn kat op het wollen kleed staat te brokkelen omdat hij drie grote asperges, vijf Anta Flu-wikkels en een restje pittige tom kha kai op heeft geschrokt, bekruipt me weleens de gedachte dat ik een onnozele lul in huis heb gehaald, maar dat hij daar ook niks aan kan doen omdat het nu eenmaal in de aard van het beestje zit. Als mijn andere domme kat vervolgens opgewekt aan komt hollen om de boel lekker op te smikkelen, ben ik al mijn illusies over hun zelfbewuste karakters kwijt.

Over mannen heb ik dat soort vergoelijkende gedachtes niet. Het merendeel is namelijk geen primaat of doorgefokte raskat. En verreweg de meeste jongens die ik ken zijn ontzettend aardige jongens. We mogen dus weleens af van het idee dat ze niet voor zichzelf in kunnen staan, voor ze het zelf ook gaan geloven. Dat het exceptioneel is om respectvol met meisjes en vrouwen om te gaan. Dat we in onze handjes mogen wrijven als we ongeschonden thuiskomen na een avondje uit. Van alle keren dat ik bij mijn pussy werd gegrabbed was slechts een fractie ongewenst. Op twee vingers te tellen, oftewel een goede schuimkraag aan aanrandbelevenissen. Ja, jongens waren dat — maar uitzonderlijke hufters.