De behoefte aan koffie zit in de genen

Koffie is een van de hoekstenen van een productieve samenleving. Het zwarte goedje zorgt ervoor dat een zware kantoordag draaglijk wordt. Ga bij uzelf eens na; op hoeveel koppen zit u vandaag? De een drinkt er makkelijk tien op een dag weg, terwijl de ander blijft steken op een kop of drie. Vanwaar die verschillende behoeften? 

Volgens recent uitgevoerd onderzoek zit deze behoefte aan bakkies pleur in uw genen. Of beter gezegd: uw genetische profiel beïnvloedt in hoeverre een kop koffie u doet stuiteren of weinig invloed heeft. Het heeft met een klein aantal genen te maken.

Het verband tussen de behoefte aan cafeïne en dna werd al eerder onderzocht, maar nieuw onderzoek door de Amerikaanse Northwestern University ging een stap verder, met gebruik van de beschikbare resultaten uit eerder onderzoek, uitgevoerd door de Schotse University Of Edinburgh. De wetenschappers onderzochten de bloedwaarden van bijna tienduizend proefpersonen na het drinken van een kop koffie, en ondervonden dat degenen met de minste cafeïne in het bloed (waar het stofje dus het snelst afgevoerd wordt) doorgaans het meeste koffie dronken.

Een bepaald aantal genen lijkt er dus voor te zorgen dat koffie sneller verwerkt wordt, en juist die kwamen veel voor bij de proefpersonen die veel koffie drinken. Eigenlijk is het heel logisch: als er minder cafeïne in het bloed zit, wordt er sneller naar een nieuwe bak pleur gegrepen.

Deze verwerking van cafeïne door het lichaam, door de wetenschappers cafeïnemetabolisme genoemd. Net als uw gewone metabolisme (of stofwisseling) gaat dit bij sommige mensen dus sneller of langzamer. Het gen dat hier het meest verantwoordelijk voor is, genaamd CYP2A6, wordt ook gelinkt aan nicotineverslaving. Kortom: onze gevoeligheid voor cafeïne is dus genetisch bepaald. Waar de een nog vlak voor bedtijd een kop koffie kan drinken, ligt de ander nog uren wakker. Komt allemaal door uw dna dus.