O, hoe onbelangrijk belangrijk is de sport soms

Ik had nergens zin in. Ik had geen zin in Nederland – België woensdag, ik had geen zin in de Superprestige dit weekend, ik had geen lust om te schrijven en zelfs een boek lezen leek me teveel gedoe. Lezen, schrijven; het zijn daden van optimisme en ik was verre van optimistisch. De film (Nebraska) – die ik er tegen mijn zin had ingegooid – zat ik uit, met moeite.

Buiten miezerde het onophoudelijk, binnen regende het commentaren en analyses. Er waren er een hoop, en er zat niets opbeurends tussen. Op de sportschool (ook eigenlijk geen zin in, maar ja) zag ik een zes jaar oude documentaire over Herman van Veen (ook geen…. Precies). Helemaal aan het eind van die documentaire zei Van Veen iets wat ik heb onthouden: ‘Niets weegt op tegen zingen, en spelen en mogen zingen voor mensen. Het is zo’n prachtig iets om te doen. Het is zo levend, zo onbelangrijk belangrijk.’

Precies een jaar geleden schreef ik op deze plek een stukje. De aanslagen in Parijs waren net gebeurd, de altijd en bij iedereen latent sluimerende angst – dat er mensen bestaan die niet het beste met je voor hebben, mensen die je misschien iets kunnen aandoen, mensen die je tegen het lijf loopt als je gruwelijke pech hebt – werd nog eens flink opgepookt en ik dacht aan alle dingen die mijn leven de moeite waard maken en die even zo ontzettend onbelangrijk leken. Veel van die dingen zijn verzonnen, maar hun belang is wezenlijk. Boeken, muziek, films, grappen, sport; ze verschaffen me genot, plezier, geluk. Verzinsels vormen het fundament van mijn gelukkig leven.
(In die column, een jaar terug, citeerde ik Herman Finkers, die in het liedje ‘Daarboven in de hemel’ uitlegt waarom hij gelooft in die hemel, toch ‘een verzonnen iets’: ‘De veertigste van Mozart, de liedjes van Jacques Brel, zijn ook ooit verzonnen en toch bestaan ze wel’).

Stofjes in het licht van de wereld
Dat ik de laatste dagen even geen heil zag in alles wat ik de moeite waard vind, betekent niet dat die dingen minder de moeite waard geworden waren. Het was niks anders dan een tijdelijk gebrek aan veerkracht. In het licht van een wankele toekomst doet maar weinig anders ter zake. In het donkere licht van woede en angst is de staat van het veld in het nationale stadion van Luxemburg niet meer dan een dansend stofje. En toch gaat het precies daarom, om al die dansende stofjes die allemaal iets plezierigs, iets moois, iets onbelangrijk belangrijks vertegenwoordigen. Dat donkere licht dat nu van alle kanten op ons lijkt te schijnen, dooft vroeg of laat weer en dan ontsteekt iemand weer een ander, nieuw, helderder licht. En ook in dat licht zul je de stofjes zien blijven dansen. De stofjes van alle mooie dingen – die kwetsbaar lijken maar in wezen onkwetsbaar zijn (de kunst, de sport, het eten, de mode, of een klein, vriendelijk gebaar van iemand die je niet kent) – daar kan geen populist met zijn vette vingers bij.
Wie zich dezer dagen niet steeds druk maakt om de wereld, wie gespannen is om de voortgang van de Eredivisie, of zich verheugt over de vorm van Sven Kramer, kan zich eenvoudig schuldig gaan voelen. Omdat er andere, grotere dingen aandacht vragen, omdat je de ruimte in je hoofd nodig hebt voor belangrijker gedachten. Forget it. Ja, ik geloof in sport als vluchtheuvel voor wie de feiten wil ontvluchten. Ja, ik geloof in sport als troost, en als brandstof. Dat schreef ik vorig jaar ook al. En ik geloof het nog steeds, allemaal. Daarnaast geloof ik ook in sport omdat het iets kan wat geen enkele politicus ooit zal lukken: het je werkelijk laten verplaatsen in de ander. Het je laten voelen wat iemand voelt die je totaal niet kent en met wie je niets gemeen hebt. Iemand die verder van je afstaat als een broodbakmachine van een spaceshuttle. Iemand met wie je niets deelt, behalve dat ene, verzonnen belang dat jullie allebei aan het hart gaat. In de sport zijn tegenstanders mensen die precies zo zijn zoals jij, ze dragen alleen andere kleuren. Het meest wezenlijke – de liefde voor het spel – dat deel je, je deelt ‘m met iedereen zonder dat-ie ook maar een fractie minder wordt. Kan gewoon.
(Ja, dat klinkt klef. Allemachtig, wat klinkt dat klef. Maar het is wel waar.)

Zo levend
Sport gaat door. Altijd. Seizoen na seizoen, wedstrijd na wedstrijd, punt na punt. Je kunt dat altijd doorgaan beschouwen als tekenen optimisme en veerkracht. Zelfs als je er zelf om welke reden dan ook even niet meer voldoende van in voorraad hebt, kun je ervoor bij de sport terecht.
‘Het is zo levend, zo onbelangrijk belangrijk.’

P.S.
Voor ‘sport’ in deze column kun je alles lezen. Alles, zolang het maar iets onbelangrijk belangrijks is. Ach, u begrijpt het wel.