De biografie van de vriendin

‘Ik wist niet wat ik las.’
Matthijs van Nieuwkerk zat zo met zijn oren te klapperen dat hij ieder moment leek te kunnen opstijgen. Tafelheer Jakko Jan Leeuwangh wist niet meer waar hij het zoeken moest, en Henk ‘Barend &’ Van Dorp, de Bob Woodward van de tere sportersziel, mompelde iets over de ‘erecode van de huiskamer’.
‘Ik vind: spreek namens jezelf.’
Daar zat ze hoor. The woman formerly known as De vriendin. Sinds afgelopen week beter bekend als: De Beerputtenontsluitster.

Normaal ben ik dol op beerputten. Geef me een beerput en ik spring er – al dan niet gekleed – in. Uren wentel ik rond in de drek van fuckende fantasten, getikte gezagsdragers of spuitende sporters. Heerlijk. En daarna lekker onder de frisse douche van je eigen rechtschapenheid. Maar, eerlijk is eerlijk: een beerput verliest iets van zijn aantrekkingskracht als het je eigen ransbakkerij is waar ze daar in de diepte gierend in aan het wroeten zijn.
Natuurlijk wist ik dat het boek eraan kwam. Ik ben dan misschien wel Gekke Henkie, maar zelfs Henkie bladert op een regenachtige dinsdag wel eens een aanbiedingsfoldertje van uitgeefkeizerin Marieke Derksen door. Sterker nog: heb nog een middag met de geestschrijver in kwestie bij het Van der Valk gezeten. Helemaal leuk, helemaal lekker. Frietjes, biefstukje en als kers op de taart een kers op de appelmoes. Nou ja, ik vertel u niets nieuws. Hij mij wel, trouwens. Zeventien pagina’s smeerlapperij in lettertype tien, een Ilja Pfeijffer-like bloemlezing van mijn meest misse stappen in Times New Roman, zo tussen mijn bord en het schaaltje bloemkool. Daar zat geen poëzie bij. Wel een markeerstift. Of ik even kon aanstrepen wat er niet klopte.
Laat ik het erop houden dat er weinig te strepen viel. Sommige bordeeladressen klopten niet helemaal.
Kwam allemaal in het boek, glimlachte de schrijver en metselde een hap appelmoes naar binnen.

Handdoekje
En daar zat ze. Aan de DWDD-keukentafel, waar de wereldproblematiek op Hansklokkiaanse wijze in een relletje verandert, en vice versa. Ze zag er goed uit. Voor haar doen. Transcriptje?
‘Ik was fan van hem, van zijn stukjes. Ik had zijn column over de VI Seizoengids boven mijn bed hangen. Ik droomde ervan zijn vriendin te worden. Ik heb daar alles voor gedaan, alles voor gelaten. En dan word je het, en dan kom je terecht in een volslagen waanzinnige wereld, een minimaatschappijtje waar andere regels gelden.’
Nieuwkerkmeister, onderuit gezakt, als Gijs Gans na weer een taart van Oma Duck: ‘Slappe hap, joh. Jij bent de vriendin. Je had ook kunnen zeggen: laat ik het bij mezelf houden.’
De vriendin: ‘Dat was het leven dat ik leidde. Losgeslagen. En dat kon ik niet vertellen zonder hem te noemen.’
Jakko Jan: ‘En dan schrijf je een “boek”?’
Matthijs: ‘Een boek vol drank, columns, soms zelfs langere stukken. Moet ik medelijden met je hebben?’
De vriendin: ‘Niets moet. Maar laten we wachten tot we de Bestseller Top-60 op de mat valt, glijbaas.’
Enzovoort, enzovoort. En ik thuis, languit op de bank, bakje pepernoten-strooigoed-schuimpjes op de buik, dacht er het hare van.
Wat ik eigenlijk bedoel: wat dacht ze? Waarom was ze mijn goede (nou ja) naam hier voor een schijntje (nou ja!) aan het verpatsen aan het slijk der natie? Goed, en dan zou ik haar in de eerste week van ons samenzijn eens een handdoekje hebben toegeworpen, en dan? Ik sta nu eenmaal bekend als een droog schrijver. Overal in huis lagen handdoekjes. Op een gegeven moment hadden we zelfs een hele kastlade vol handdoekjes. Maar ik bedoelde daar niks mee. Echt niet. Dat zweer ik op het graf van de geslaagde hyperbool.

Ze was ambitieus, dat had ik direct in het snotje. Dit is er eentje hoor, dacht ik. Dus: inwijden die hap, geen geëmmer. En wat betreft die aberraties: goed, ja, er waren avonden tussen… Dave Roelvink zou er wit van om de neus worden. Chips, van die voorgebakken bruschettaatjes, nootjes… De slaafvrije chocola ging er in repen tegelijk doorheen. Liters cassis. Rock-’n-roll ook, soms. Een enkele keer werd er een dag voor een belangrijke column een pizzaatje besteld. En dan had ik dus gewoon al gegeten die avond! Zo leefde ik toen. Pilsje erbij, ik dacht dat ik me alles kon permitteren in die dagen. (Paar uur later lag ik dan weer aan een waterinfuus, om de kater weg te spoelen. Daar lees ik dan weer nergens over.)

Henk van Dorp begreep er ook niks van. Waarom moest de vriendin zo nodig de gevierde sportcolumnist erbij lappen? Iemand die, in de jaren dat er bij HP/De Tijd verdomd weinig te juichen viel, de eer zo’n beetje solo stond hoog te houden? In een periode, mind you, dat de gekste dingen gebeurden in de journalistiek. En maar meeslepende columns schrijven die jongen, bovenmenselijk bijna. We hadden toch al die jaren aan onze opiniebladenabonnementen gekluisterd gezeten dankzij die kerel? Toppie Henk, grazie mille.
Vriendinlief retourneerde de bal zonder hem te laten stuiten.
‘Jij bent een journalist en jij wilt de waarheid niet horen?’ Topvorm.
Henk knabbelde nog even op die ‘erecode’, maar tevergeefs: de vriendin was on fire als een uitslaande heidebrand. Jakko Jan was inmiddels pootje-over de studio uitgegleden.
‘Ik vertel alleen dingen waar ik bij ben geweest,’ ging ze voort. ‘Ik praat namens mezelf. Ik kan het verhaal van een personage uit columns moeilijk vertellen zonder de schrijver van die columns te noemen. Wat ik hoop, is dat jonge meisjes na lezing van dit boek wel drie keer nadenken om voor een columnist te willen koken. Mijn gerecht is wat dat betreft ook een waarschuwing. Het is een wereld van leugens, van de dingen mooier maken dan ze zijn, van fictie en van menselijke pijn. Dat is het verhaal dat ik wilde vertellen.’
Nou nou nou, wat zat die daar een partij smakelijk de omerta te verkruimelen, je kreeg er bijna zin van om zelf ook met een voorhamer een taboetje te lijf te gaan.
‘Denk je dan niet aan zijn kinderen?’
‘Hij heeft geen kinderen.’
‘Dat vroeg ik niet.’

Was het nodig?
En zo ging dat maar door, bij de biechtvaders en -moeders van DWDD en Pauw en de NOS en Radio 1 en de livestream van de maandelijkse literaire avond van letterkundevereniging Het Gezonken Vraagteken in Goes. Daar ging ik hoor, over de tongen, als een bitterbal vers uit het vet. Het ging over privacy, over of ik niet anoniem opgevoerd had kunnen worden (‘Iedereen weet met wie ik in die periode een relatie had. Lees de columns tussen maart 2014 en oktober 2016 maar terug, daar staat het allemaal in’), over de waanzin, over de leugen, over de waanzinnige leugen, over zelfdestructie (‘Een keer hebben we elkaar een hele avond met zijn eerste boek op de billen geslagen. Ik had de midprice-editie. Je dacht er niet bij na, die dingen deejje gewoon’) en over Joost-mag-fantaseren wat nog meer.
Na interview nummer zoveel zette ik de tv uit, en riep naar de keuken: ‘Was dat nou nodig?’
‘Kennelijk,’ riep ze terug, boven het pruttelen van de courgettesoep uit. ‘Anders had je het vast niet opgeschreven.’