Scheids heeft altijd gelijk

Zomaar een conversatie op Twitter gisteravond.
‘Ach nee, ging het bij Studio Voetbal ook al over #racisme #discriminatie? Goed dat ik dit ook al weken niet meer kijk.’
‘Doodziek van dat gezever.’
‘Je mag tegenwoordig echt niets meer zeggen.’
Overigens: dit waren geen anonymi die te vuur en te zwaard Nederland uit de EU proberen te dreigen, maar mensen met gezichten en banen en min of meer consequent interpunctiegebruik.
Overigens II: ik ben verzot op het woord gezever, zelfs in zurig ruikende contextsituaties. Props voor gezevergebruikers.

De discussie voltrok zich rond een getal. 3,4. Zoveel procent van de trainers en bestuursleden is in het Nederlandse voetbal een nieuwe Nederlander. Nieuwe Nederlander ben je als zowel je wortels als je bieten tot twee generaties achter de komma over de grenzen zijn geoogst. Aanleiding was een zaak die trainer Alami Ahannach had aangespannen tegen de KNVB, omdat hij het idee had dat hij door de voetbalbond doelbewust werd tegengewerkt bij het behalen van zijn trainersdiploma.
Wat volgde, was een schoorvoetende aanzet tot zelfonderzoek. Vijf mannen uit alle uithoeken van de voetbalwereld belichtten het probleem – als al het een probleem was – van alle kanten. Op Twitter, in die muffe nationale huiskamer met een aquarium vol traag cirkelende Policorkarpers in de hoek, begon Het Grote Steigeren.
Dat daar aandacht aan besteed werd! Wat een gehuil! En de Klassieker, de Ajax-Feyenoord onder de boze reacties: je mag tegenwoordig niets meer zeggen!
(Vaak vinden mensen die alles willen zeggen het onprettig als er iets wordt teruggezegd. Ik vind: als je alles zegt, moet je toch op z’n minst alles teruggezegd kunnen krijgen).

Voetbal verbroedert, heet het. Soms vraag ik me dat af.

Vaders wier Messiaans aandoend broedsel reserve wordt gezet slaan zonder gewetenswroeging de elftalleider tegen het kunstgras, clubiconen bellen tijdens de wedstrijd de commentator om hem even hartgrondig uit te schelden en iedere zondagavond zitten overal te lande grensrechters met hulp van een geliefde een vlag uit hun reet te wrikken. En als er dan, hoogst voorzichtig, in een voetbalprogramma, een heikele maatschappelijke kwestie wordt aangesneden, moeten ze hun bek houden. Je moet namelijk alles kunnen zeggen, maar ik moet het er wel mee eens zijn.
Ik fietste laatst langs een voetbalveldje en hield even halt. Elf potige boerenzonen namen het op tegen elf ielige bleekneuzen uit de stad. Het ging er stevig aan toe. Toen een magerzuchtig jongetje dreigde door te breken en hij door een van de potigaards in de heupzwaai genomen werd, begon iedereen op en langs het veld te schreeuwen. De stadsjochies eisten een rode kaart, de boeren vonden dat die kleine zich overdreven had laten vallen om de ander verdacht te maken. Toen de scheidsrechter een geel kartonnetje in de hoogte stak, richtte de woede zich op hem, op de slungel in het zwart. Tot de coach van de reuzenploeg riep, met een stem als een luchtalarm: ‘Scheidsrechter heeft altijd gelijk!’ En zijn collega, een wat verschrompelde, okerkleurige man, voegde eraan toe: ‘Handje! Handje!’
De heupzwaaier stak sputterend een handje uit, het slachtoffer schudde het met zichtbare tegenzin. Vervolgens gaf de boer zijn tegenstandertje een vriendelijk bedoelde dreun op zijn schouder en maakte zich uit de voeten. De ander lachte.

Verdraagzaam
Dat kun je dan toch in elk geval van voetbal opsteken: overtredingen zijn geen persoonlijke aanval, tegenslag is geen belediging en het is niet omdat iemand je wijst op iets wat je hebt misdaan dat diegene het daarom niet goed met je voorheeft. Voetbal verdraagt geen onverschilligheid, je hebt je te verhouden tot met wie je in het veld staat om de wedstrijd tot een goed einde te brengen. Sommige mensen geloven dat wellevendheid en empathie tekenen van zwakte zijn. Dat je onwrikbaar moet zijn, je niet hoeft te verplaatsen in iemand in wie je geen belang stelt, dat de schuld altijd bij de ander ligt en dat je het gelijk eigenlijk altijd aan je zijde hebt en niet dient te zwichten tot je het gekregen hebt. Stel je eens een willekeurige voetbalwedstrijd voor, met de grootste etters in de basis. Verplaats dat gedrag naar een voetbalveld. Zo’n wedstrijd zal nog geen vijf minuten duren. Voetbal, “het spelletje”, werkt nu eenmaal alleen bij de gratie van een minimum aan verdraagzaamheid. Je vraagt je af waarom dat buiten het veld niet geldt.