De Tsjernobylsarcofaag is monsterproject met Nederlands tintje

De geïmplodeerde reactor nummer 4 van de voormalige kerncentrale Tsjernobyl werd deze week definitief afgedekt. Het bouwen van de ‘sarcofaag’ was een monsterproject dat zes jaar in beslag nam, en waar een Nederlands bedrijf een grote rol speelde.

De radioactieve overblijfselen van de grootste kernramp (op 26 april 1986) in de geschiedenis van de mensheid zijn nu omsloten door een overkapping van maar liefst 257 meter breed, 108 meter hoog en 162 meter lang. En dat is nog niet eens het meest indrukwekkende gedeelte. Vanwege de verhoogde radioactiviteit kon de sarcofaag niet direct om de vernielde reactor heen gebouwd worden, maar moest het hele gevaarte via een speciaal daarvoor aangelegde 330 meter lange rail, over de voormalige kerncentrale heen geschoven worden. Dit maakt het het grootste verplaatsbare object op aarde, dat bovendien door het Nederlandse bedrijf Mammoet verplaatst werd.

Menig bedrijf zou voor een klus van een dergelijk formaat vriendelijk bedanken, maar laat het hijsen en verplaatsen van bijna onmogelijke objecten nou net de specialiteit van Mammoet (toepasselijke naam ook) uit Schiedam zijn. Zo takelden zij in 2001 de gezonken Russische kernonderzeeër Koersk van de bodem van de Barentszzee, een operatie die eveneens een groot risico met zich meedroeg, vanwege het wapenarsenaal en de kernreactoren van de onderzeeër.

Het omhulsel, dat opgetrokken is uit dik roestvrij staal, past als gegoten over de ruïne en de haastig opgetrokken eerste sarcofaag. Ook wordt de temperatuur iets hoger gehouden dan de buitentemperatuur. Dit om verdere corrosie te voorkomen.

De nieuwe sarcofaag moet minstens honderd jaar bescherming bieden en uiteindelijke sloopwerkzaamheden mogelijk maken. Het afsluiten van de reactor is dus nog niet het einde van het Tsjernobylverhaal, maar het maakt deze tikkende tijdbom uit de Koude Oorlog wel een stuk minder gevaarlijk.

tsjernobyl
Illustratie van de nieuwe sarcofaag over de verwoeste reactor                                                         Bron: ANP

 

De Redactie