De troost van de steekpass

Het meeste valt tegen voor wie veel verwacht. Zelfs wie zijn verwachtingen voortdurend naar beneden bijstelt, blijkt soms nog te hoog te hebben ingezet. Zo gaat dat met de trainerscarrière van Clarence Seedorf, de opiniebijdragen in de Volkskrant en met Clasico’s.
Zaterdag was er weer een. Een Clasico. Ik ging er eens goed voor zitten. Doos vol belastingaftrekbare bonnetjes naast me, om tijdens de rust en de dode spelmomenten (gemiddeld een halfuur per wedstrijd, en nog meer als Ronaldo en Neymar meedoen) iets te doen te hebben.
Er was niets aan. Een lamstralenpot was het. Zelfs Sierd de Vos en Aad de Mos konden er niks smakelijks van bakken. Na een uurtje dook ik onder in mijn schoenendoos vol potentieel belastingontwijkend bedrag. Was ik al rijp voor de Maagdeneilanden?
Zodoende had ik niet door dat Iniesta inviel bij Barcelona. De last minute gelijkmaker van Ramos zag ik in de herhaling. En pas bij de analyse achteraf begreep ik dat ik iets over het hoofd had gezien. Iets wat ik nog duizend keer zou kunnen terugkijken, maar nooit meer live.

Twee citroenstampers en een aansteker
Ik houd van de steekpass. De steekpass creëert een werkelijkheid die net nog ondenkbaar was. Iedere geslaagde steekpass is een bewijs dat de dingen niet altijd zo zijn als ze zich presenteren. Er zit iets troostends in de steekpass, in het idee dat de oplossing voor een schijnbaar onoplosbaar probleem zich onder je ogen zou kunnen hebben verstopt. Het is een aanslag op de status quo, op de meest vredelievende manier denkbaar.
Neem dit stukje. De woorden staan in het gelid, de zinnen hebben hun volgorde toegewezen gekregen, het onderwerp is bepaald. Alles is gestut door een vondst die zich al sinds de eerste regel (‘Het meeste valt tegen’ enzovoort) zichzelf verkneukelend warmloopt langs de zijlijn van mijn gedachten. Namelijk: dat dan misschien het meeste wel tegenvalt voor wie veel verwacht, maar dat er altijd dingen blijven die iedere verwachting ten goede overtreffen. Naar dat einde zijn wij samen op weg, lezer, u en ik. Een andere mogelijkheid is er niet. Behalve als ik een tekstuele steekpass zou geven en binnen twee, drie woorden en een welgemikte komma bij Ajax – Groningen zou zitten, of bij de voeten van Jens Toornstra.
Helaas: er dient zich geen ander onderwerp aan. Een steekpass is niets zonder loopactie.

Die pass van Iniesta, een paar minuten voor tijd, nam precies een seconde in beslag. Messi – OK: passes lijken mooier als Messi aan de andere kant staat – liep in een schuine, linkse lijn het strafschopgebied binnen. Het leek een sprint nergens heen. Zelfs een Messi kan niet door muren heen dribbelen. Toen kwam die bal. Gewoon strak, met de binnenkant van de voet. Geen fratsen, geen buitennatuurkundige curves. Iedereen kan een bal zo raken. Met een timmermansoog, zeggen commentatoren dan. Het zal wel iets met passen en meten te maken hebben. Of met vakwerk.
Wat Iniesta zaterdagavond deed, had met vakwerk weinig te maken. Een vakman beschikt over hout en apparatuur en jaren opleiding en daar komt dan uiteindelijk een stoel van. De kans van Messi, op maat gemaakt door de flegmatieke bleekneus achter hem, was er opeens. De extra meters waarin hij zich bevond leken door Iniesta zelf aan het veld te zijn toegevoegd, toen er even niemand oplette. Zoals MacGyver in een oogwenk een tank bouwde met twee citroenstampers en een aansteker. Maar dat schijnt dus niet echt te zijn geweest. Dit wel.

Overtroffen
Ik kan er naar blijven kijken. Wat dat betreft – maar ook alleen wat dat betreft – lijkt die bal van Iniesta op de foto van Johnny Rep en Dion Graus proostend op de rand van een hotelbed, die gister aan mij voorbijgleed als een tappend fabeldier op een boot van De Zonnebloem.
Steekpasses die ruimte maken die er zo-even nog niet was, die hebben we nodig. Binnen en buiten het veld. Want zelfs de verwachtingen van wie veel verwacht worden heel soms overtroffen.