Wat de Trump-stemmer leert over Nederland en de PVV

Vanochtend vond ik in mijn mailbox een artikel van het ECRI, het Amerikaanse Economic Cycle Research Institute. Het begint met een verwijzing naar een interview met Barack Obama in het blad Rolling Stone. Obama suggereert daarin dat de onvrede die mensen op Trump deed stemmen in elk geval niet met de onder Obama gecreëerde banengroei te maken heeft.

Met negen miljoen banen méér dan in 2007 ben je al snel geneigd dat met hem eens te zijn. Kijk je voorbij dat getal, dan wordt heel veel Trump-steun in één klap een stuk duidelijker.

Blanke mannen tussen de 25 en 54 verloren 6,5 miljoen méér banen dan er voor hen bijkwamen. Intussen steeg het aantal banen voor zwarte Amerikanen met ruim twee miljoen. Idem voor Aziaten. Maar het meest profiteerden de ‘Hispanics‘. Voor hen waren er bijna vijf miljoen nieuwe banen. Blanke mannen maken 78 procent van de beroepsbevolking uit.

De bij de verkiezingen uitgebrachte stemmen kunnen worden herleid naar de county’s. 472 county’s stemden voor Hillary Clinton, 2.584 stemden voor Donald Trump. Die overgrote minderheid aan county’s van Hillary waren wel goed voor 64 procent van de economische activiteit van de gehele VS, die van Trump voor 36 procent.

De boze blanke man bestaat dus echt, in elk geval in de VS. Maar hij is niet noodzakelijkerwijze laag opgeleid. Zijn baan is vaak naar iemand met een andere etnische achtergrond gegaan. De kans dat die goedkoper is, is groot.

En dat brengt me op de Nederlandse situatie. Gisteren en vandaag kunt u zich wentelen in door het CPB verstuurde berichtgeving over hoe fantastisch het gaat met ons land, de economie is weer bijna terug op het niveau van 2008. Dat was in de VS al veel eerder het geval maar het bleef – zoals nu duidelijk wordt – voor heel veel Amerikanen een Ver van mijn bed-show.

Dat is Nederland net zo en dat ga ik u uitleggen, op basis van feiten.

Ik begin met het Europese balletje-balletje met de tot 2015 in Nederland gehanteerde definities van ‘een baan’. Om dat uit te leggen knip en plak ik uit een CBS-publicatie van begin 2015.

Urencriterium
Het belangrijkste verschil van de nationale definitie ten opzichte van de internationale richtlijnen betreft het zgn. urencriterium. De ILO-richtlijnen voor het samenstellen van statistieken over de beroepsbevolking gaan uit van de notie van ‘some work’. Dit staat tegenover de notie van ‘een substantieel aantal uren’ in de nationale definitie. De operationaliseringen van beide definities sluiten hierbij aan. Internationaal geldt het zgn. 1-uurscriterium, terwijl nationaal wordt uitgegaan van ten minste twaalf uur.

Snapt u ‘m? Als u vóór 2015 hoorde over banengroei in Nederland, dan betrof het banen van tenminste twaalf uur. Sinds 2015 hanteert het CBS – onder internationale maar waarschijnlijk ook gewoon druk van onze eigen regering – de internationale definitie. Dan is iets al een baan als het één uur per week betreft.

Die fantastische banengroei is zwaar inflatoir en zegt niets over hoe het er in een gemiddeld Nederlands huishouden voorstaat.

Dat doet een ander cijfer wel, ook van het CBS. Het heet ‘Besteedbaar en gestandaardiseerd inkomen van huishoudens’. Het meeste recente cijfer dat ik kon vinden is er een over 2014 en de jaren daarvoor. Waar het indexcijfer voor het besteedbaar inkomen van een gemiddelde Nederlands huishouden in 2007 op 37,2 staat, staat het over 2014 op 34,2. Dat is ruim acht procent lager. Daarin is in 2015 en 2016 in enige mate verbetering gekomen maar het gemiddelde Nederlandse gezin heeft nog altijd fors minder te besteden dan in 2007.

We weten al dat de PVV sterk staat in de peilingen. Maar Amerikaanse toestanden hier, in ons eigen land, zouden me volgend jaar helemaal niet verbazen. Want Dijsselbloem, Asscher en Wiebes slaan zich op de borst. Maar ze spelen vals spel.