Hoe het EP het Babylonische probleem van de filmwereld bestrijdt

Er zijn weinig weken waarin er geen Amerikaanse productie bovenaan de bioscoop-toptien prijkt. Af en toe werkt een Nederlandse romcom of een Britse rolprent zich een weg omhoog, maar over het algemeen domineren stars and stripes de box office.

The invasion of US cinema‘ noemde de eerste vicepremier van het Europees Parlement, Antonio Tojani, het eind november tijdens een panel over de culturele investeringen van het EP. De grote boosdoener die werd aangewezen: de aanwezigheid van nationale grenzen en bijbehorende taalbarrières. De grote afzetmarkt die het Engels de Amerikanen biedt, zorgt voor hogere budgetten en grotere marketingcampagnes, die vervolgens hun films weer verder over ons continent uit doen vloeien. Voor de versplinterde Europese markt is het moeilijk hier verenigd tegenop te boksen.

Distributie is dus het knelpunt. Al jaren proberen de Europese Unie, Commissie en Raad via verschillende programma’s de filmwereld steun te bieden. Via subsidies voor producties, festivals, markten en trainingsprogramma’s wordt getracht de eurofilm te ruggensteunen. Zo gaat een aanzienlijk deel van het budget van Creative Europe (minimaal 56 procent van totale budget van 1,48 miljard euro voor de periode 2014-2020) naar de audiovisuele sector en heeft de Europese raad in 1988 het filmfonds Eurimages in het leven geroepen ter bevordering van distributie en coproductie.

Een opvallend onderdeel van de missie is de LUX-prijs, een award die dit jaar voor de tiende maal werd uitgereikt aan een relevante Europese filmproductie over de stand van zaken in de Europese Unie. Eind november overhandigde Martin Schulz de prijs tijdens de plenaire sessie in Straatsburg aan Maren Ade, regisseur van het Duitse Toni Erdmann. In de kritisch geprezen Duitse komedie katapulteert een losbandige vader zich in het leven van zijn door carrière geobsedeerde dochter tijdens een zakenreis in Roemenië. De film – die afgelopen weekend in de prijzen vielen bij de European Film Awards  – troefde de Tunesische coming-of-age-film À peine j’ouvre les yeux en de Oostenrijkse stop-motionfilm Ma vie de Courgette af.

toni_erdmann_36000481_st_3_s-high
LUX-winnaar Toni Erdmann

Een beeldje is marketingtechnisch natuurlijk altijd mooi meegenomen, maar de LUX-prijs mist de prestige van de gouden palmen, leeuwen en beren van deze wereld. Winst zal in de media dan ook niet de gewenste exposure opleveren om een verschil te maken in het aantal bioscoopbezoeken. De prijs – symbolisch gevormd naar de bijbelse Toren van Babel – is dan ook meer gericht op dat vervelende probleem dat de Europese films weerhoudt de grens over te gaan: de verschillende talen.

Om deze achilleshiel te voorzien van een stevige kous, krijgen de drie geshortliste films hulp bij hun distributie. Elk van hen wordt namelijk in 24 verschillende talen ondertiteld en per land wordt een makkelijk te verspreiden DCP (Digital Cinema Package) geproduceerd. De winnende film krijgt daarnaast promotionele ondersteuning en wordt voorzien van een speciale versie voor blinden en slechtzienden, waardoor ook deze niche van de Europese verhalen kan worden bediend. Vervolgens worden de films tijdens de LUX Film Days door het hele continent heen gratis vertoond.

Opvallend genoeg worden deze dagen niet gefinancierd uit het Creative Europe-budget, maar direct uit de communicatiebudgetten van het parlement. Men ziet cinema nog steeds als een belangrijk communicatiemiddel en is bereid de portemonnee te trekken. Of het totale budget van 400.000 euro niet effectiever ingezet kan worden valt te bediscussiëren. Zo is het maar de vraag of het LUX-programma op dit moment de doelgroep bereikt. In de praktijk zullen de vertoningen voornamelijk worden bezocht door een hoger opgeleid, cultureel geëngageerd publiek. Oftewel: het publiek dat sowieso wel dergelijke films kijkt. De vertoningen mogen dan gratis zijn, om half negen naar het filmhuis voor een Hongaars oorlogsdrama klinkt voor de gemiddelde EU-sceptische arbeider waarschijnlijk niet als het ideale avondje uit.

Dit probleem speelt uiteraard bij het overgrote deel van de films die Europese steun krijgen. De vraag hoe de verhalen uit eigen continent ook buiten de grote steden gezien kunnen worden is één die steeds vaker gesteld wordt, hoewel een antwoord moeilijk te vinden lijkt. Hier valt nog veel winst te behalen, maar eerste stappen worden al gemaakt door de pijlen te richten op de jongere generatie. Zo steunt Creative Europe verschillende programma’s om de integratie van filmeducatie in het onderwijs te stimuleren, waaronder een gedeelde filmcatalogus voor de verspreiding van de Europese jeugdfilm.

Zolang we niet massaal Esperanto leren of overstappen op het Engels, zal ons Babylonische probleempje altijd een zwakke plek voor de Europese film blijven. Echter, creatieve economische stimuleringsmaatregelen bieden uitkomst voor het gefragmenteerde karakter van de Unie. Hierdoor eindigen we niet alleen met een gezondere sector, maar worden Europese vraagstukken ook breder bespreekbaar. Want als we dit stukje aardbodem dan toch met elkaar moeten delen, is het niet meer dan logisch dat we ook naar elkaars verhalen luisteren.

Matthijs van der Veer is dramaturg en publiceert regelmatig over film en visuele cultuur. Sinds augustus is hij namens de LUX-prijs van het Europees Parlement ambassadeur voor de Europese film.

Matthijs van der Veer