Sturm und Drankhekken

In de laatste dagen van het jaar blikt schrijver Gerjon Gijsbers (1983) op droogkomische wijze terug op het afgelopen jaar. Vandaag: het culturele leven.

Mensen vragen me dikwijls om een deskundige mening als het over culturele aangelegenheden gaat. Ik zal maar direct met de deur door huis denderen: die heb ik niet.
‘Maar jij hebt er toch voor doorgeleerd?’ vragen ze dan verontwaardigd. ‘En doe jij ook niet iets op een podium, van die gedichtjes voorlezen of zo?’
Dat zal wel, maar hoe meer kaas ik van de Nederlandse cultuur gegeten heb, des te minder zinnigs kan ik erover zeggen. Hoe meer kennis, hoe meer twijfel. Wie zei dat ook alweer? Goethe, geloof ik, of een van die andere Sturm und Drankbakken, maar dan in het Duits.

Niettemin was 2016 weer een jaar vol hommeles en heisa in de culturele sector. De Libris Literatuurprijs werd uiteraard weer uitgereikt aan het verkeerde werk, maar dat kan zo’n vakkundige jury ook niet helpen. Popmuziek werd ein-de-lijk als kunstvorm erkend, liedteksten ein-de-lijk als literatuur. Er werden een hoop discussies gevoerd, waarbij de gemoederen hoog opliepen. Er vielen wederom veel doden, niet per se ten gevolge van die hoogoplopende gemoederen. Marten & Oopjen werden voor 160 miljoen euro aangekocht en waren ein-de-lijk voor het grote publiek te bewonderen. Het Rijksmuseum kondigde ze, vermoedelijk om kansarme straatjongeren aan te spreken, in een reclamespotje aan als ‘de Kim Kardashian en Kanye West van de zeventiende eeuw’.
Dan hoef ik ze niet te zien, dacht ik, er zit vast niet eens een lijst van geïmpregneerd populierenhout omheen, hoe wil je met die prullaria publiek trekken? Toch kwamen er duizenden bezoekers op af.
‘Onze cultuur is beter dan alle andere die ik ken,’ zei een vrouw die volgens haar eigen wetsvoorstel omtrent verwarde personen al lang opgepakt had moeten worden.

We hebben natuurlijk, in alle bescheidenheid, een buitengewoon rijke cultuur. Zo rijk zelfs dat Unesco een inventaris opstelt van immaterieel cultureel erfgoed, zoals wecken en blokgooien in Roden, het Staphorster stipwerk, de gondelvaart op wielen in Drogeham, Pinksterbruidjes in Borne, de Tielsche kermiskoek, prijsdansen in Nieuw-Vossemeer, het vlechten van gebruiksvoorwerpen en het Brabantse worstenbroodje. Het vernederen van feuten en groentjes een hersenoedeem hameren haalden het dit jaar nét niet, helaas, maar wie weet wat 2017 ons brengt. Nieuwe ronde, nieuwe kansen, 365 dagen om traditieterreur aan de lijst toe te voegen. Mocht ik enkele genomineerden aandragen dan kies ik voor het opstrijken van wachtgeld, in de leemte turen, op een hip festival voor het hoofdpodium hartjes vormen met je handen, spulletjes kopen met kerst, speculeren of de rayonhoofden van de elf steden al dan niet bij elkaar zullen komen en verkleed als Indiaan op een trom hengsten als Oranje zich weet te kwalificeren voor een kampioenschap. Het is weer eens wat anders dan demonstreren tegen een pijpleiding door North Dakota.

Oikofobie
We hebben een rijke cultuur, zoveel is zeker, maar ik krijg steeds meer het idee dat we ermee volgestouwd worden als een foie gras, door een kok die pretendeert dat hij het beste recept ervoor heeft, terwijl hij niet eens het verschil kent tussen een kip en een kalkoen. Thierry Baudet zal me ongetwijfeld betichten van oikofobie, de afkeer van het eigene, een verregaande vorm van cultuurrelativisme, maar hij zit ernaast. Ik houd van mijn land, maar ik voel niet de behoefte om die liefde uit te dragen door met vlaggetjes te zwaaien of volksliederen aan te heffen. Ik gedij prima bij mijn persoonlijke canon. Er verschenen dit jaar stapels bundels en boeken van eigen bodem. Platen die me de eenzame nachten doorhielpen (Nachtschade van The Avonden, ease into van Plastic Evolution, Pavlov Beauty Saloon van Donnerwetter). Er waren mooie momenten. Zo raakte ik op weg naar mijn eigen begrafenis vlak voorbij politiek-cultureel centrum De Balie – voortzetting van wat ooit De Populier aan de Nieuwe Herengracht was – gevangen in een wolkbreuk. ‘I think it’s gonna rain when I die,’ zong door mijn kop de zagende stem van Layne Staley, die ook alweer bijna vijftien jaar dood is, de bofkont. Ik hoorde PJ Harvey op Down the Rabbit Hole ‘No man is an Island’ van John Donne voordragen in het kader van de Brexit. Diepe indruk maakte Meindert Talma met zijn live-uitvoering van ‘De ballade van Jannes van der Wal’, een stuk dat volgens mij uit dezelfde bouwstenen als de ganse schepping bestaat, over de voormalig wereldkampioen dammen, waarover later meer onder het kopje sport. Of nee, dat kopje heb ik reeds gehad.

Oikofobie, laat me niet lachen. Zo ken ik ook nog wel een aandoening. Lallebrallie bijvoorbeeld, met als ernstigste symptoom dat er louter nonsens uit je mond komen zodra je deze opent. Enige remedie is de kaken stijf op elkaar houden. Zelf lijd ik er alleen aan met betrekking tot cultuur. Kramers Nieuw Woordenboek geeft bij het lemma cultuur onder andere de omschrijvingen ‘geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling en beschaving, veredeling van de geest’, ‘wijze waarop een maatschappij haar normen en waarden inricht’ en ‘op een voedingsbodem aangekweekte massa bacteriën’.
Hoe kan ik een cultuur relativeren als ik niet eens weet over welke cultuur het gaat? Ik weet alleen dat, als ik door een cultuur van haat en geweld op de knieën word gedwongen omdat ze mij, zonder toestemming mijnerzijds, willen onthoofden met een roestig kapmes, ik met enige tegenzin gehoor zal geven en met de kaken stijf op elkaar zal mompelen: ‘Wat fijn dat alles hier zo vreedzaam naast elkaar kan bestaan en wat vriendelijk dat ik op deze wijze een inkijkje krijg in een vreemde cultuur. In varietate concordia.’ Mijn cultuur is net zo kwetsbaar als alle andere culturen die ik ken.

Lees hier Gerjon Gijsbers’ terugblik op het politieke jaar en het sportjaar.

Beeld: Flickr/Oscar Anjewierden