Het nieuwe rouwen heeft alles te maken met ijdelheid

Een guilty pleasure kun je het niet noemen, een rare gewoonte is het misschien wel. Sinds jaar en dag lees ik The Economist van achteren naar voren. Steevast begin ik dan bij de Obituary’, het laatste artikel. De dode van de week, mompel ik in mezelf.

Lang niet altijd gaat het hier om een beroemdheid, vaak is het iemand waarvan ik in elk geval nooit eerder gehoord heb. Zo herinner ik me Lazare Ponticelli, de laatst overgebleven Franse soldaat uit de Eerste Wereldoorlog– notabene van Italiaanse komaf – die in 2008 op 110-jarige leeftijd overleed, of Irwin Schiff, de Amerikaanse accountant-schrijver die tot zijn laatste adem bleef volhouden dat inkomstenbelasting anticonstitutioneel was en daar ellenlange rechtzaken en zeventien jaar in de gevangenis voor over had. En natuurlijk Hamilton Naki, de zwarte man die in het Zuid-Afrika van de apartheid geassisteerd zou hebben bij de eerste harttransplantatie in 1967, later toch weer niet, maar wel een self-made chirurg met gouden handjes was. Soms gaat het niet eens over een persoon, zoals in het kerstnummer dit jaar dat de oudste Britse firma herdenkt: The Whitechapel Bell Foundry, maker van o.m. Big Ben, houdt er na vierenhalve eeuw mee op. Vrijwel altijd zijn het rustige, weloverwogen beschouwingen die terugblikken op een volbracht leven en zo een gepast eerbetoon aan de overledenen vormen.

Het jaar 2016 grossiert in beroemde doden, in de politiek, de sport en vooral de muziek. Mohammed Ali, David Bowie, Fidel Castro, Jo Cox, Johan Cruijff, Leonard Cohen, Shimon Peres, Prince, Amjad Sabri, Toots Thielemans, het is niet meer bij te houden. En alsof het nog niet genoeg was laat ook de laatste week van het jaar zich niet onbetuigd: George Michael, actrice Carrie Fisher en, amper een dag later, haar moeder Debbie Reynolds voegen zich bij de al veel te lange lijst.

Tijd voor bezinning, zeker in deze tijd van het jaar, zou je zeggen. Maar van bezinning is weinig sprake, en van rustige, weloverwogen beschouwingen in de stijl van The Economist nog minder. Het gonst van de RIP-jes die snel de wereld ingeschoten worden. Al die overlijdens worden uitvergroot door de reacties van grotere of kleinere beroemdheden. Daarin komt men superlatieven tekort, de overledene wordt in ronkende tweets de hemel in geprezen, waarbij iedereen elkaar probeert te overschreeuwen in zijn verdriet. Ronduit eigenaardig is het dat deze reacties zelf nieuws worden en dat ze ook door serieuze media gretig geciteerd worden. Zo weten we luttele tellen na het bekend worden van het overlijden van George Michael dat ook Ricky Gervais, Audra McDonald en Randy Jackson erg verdrietig zijn. Ik zet vraagtekens bij de nieuwswaarde van zo’n bericht.

Zijn de twitterende beroemdheden de klaagvrouwen (m/v) van onze tijd, ingehuurd voor de gelegenheid door de nabestaanden? Natuurlijk niet. Of staat onze moderne samenleving gewoon bol van het medeleven? Ook al niet: veel van die rouwbetuigingen hebben met compassie weinig van doen, maar dienen vooral tot meerdere eer en glorie van de schrijver ervan. Die laat zien dat hij de overledene goed gekend heeft, of goed bevriend is met iemand die de overledene gekend heeft. En ook: wat als hij niets van zich laat horen? Hij telt dan niet meer mee, hij hoort er niet meer bij.

IJdelheid, alles is ijdelheid. Gevoed en versterkt door sensatiezucht, snelheid en de neiging alles vast te leggen.

Sensatiezucht is niemand vreemd. Ik weet ook niet welke donkere drijfveren mij ertoe leiden de necrologiëen uit The Economist te spellen, maar nieuwsgierigheid is er zeker één van. Maar je kunt ook te ver gaan. Ergens in de periferie van mijn netwerk vindt iemand de tekst die Dennis Bergkamp in het condoleanceregister van Johan Cruijff geschreven heeft, neemt er een foto van en zet deze online. Wat heeft dat allemaal nog met verdriet, met rouwen te maken?

Snelheid, de snelheid van communiceren, is één van de meest verraderlijke verworvenheden van onze tijd. Ze zorgt voor nogal wat uitglijders. Wikipedia, sneller dan zijn schaduw, vult de sterfdatum al in terwijl de persoon net als vermist is opgegeven (het gebeurde bijvoorbeeld bij het overlijden van de Vlaamse politicus Steve Stevaert verleden jaar). Verder moet je er natuurlijk snel bij zijn met je rouwbericht, om je zichtbaarheid te verhogen, om je kansen te vergroten geciteerd te worden. Soms weten we alleen nog niet goed wie er dood is, Robin of Robbie Williams, Boy George of George Michael. Maar het verdriet is er niet minder om. En je kunt er vergif op innemen dat het bericht van Sarah Michelle Gellar er niet anders had uitgezien als ze direct de goede dode voor ogen had gehad.

Jarenlang al duurt de manie om alles wat we meemaken of zien gebeuren direct vast te leggen in woord of liever nog beeld. De beelden van Philando Castile, de zwarte man die in juli dit jaar in Minnesota werd neergeschoten, zijn schokkend, maar ik vraag me dan tegelijk af waar zijn vriendin de tegenwoordigheid van geest vandaan haalde, met haar vierjarige dochter op de achterbank, om alles te filmen met haar mobiel en van commentaar te voorzien? Waarschijnlijk omdat we zo, door te vloggen of te twitteren, abstraheren van de werkelijkheid. Het beeld wordt belangrijker dan het leven zelf. Liever een selfie met Obama met je rug naar hem toe, dan een gesprek met hem zonder beeld. Langzaam lijkt daarmee ook onze visie op dood te verschuiven. Niet langer lijkt de dood het einde van de realiteit zoals wij die kennen, we hebben immers de beelden die we eindeloos kunnen blijven oproepen. De dood is virtueel geworden. In die droomwereld betekent sterven zoiets als het veld uitgestuurd worden. Je zit op de strafbank, je bent verbannen naar een soort digitaal hiernamaals, je mag niet meer echt meedoen, maar nog wel sms-en, mailen en vrienden maken op facebook. Van zo’n gedachte gaat goed beschouwd best wat troostends uit. Maar dan, ooit, schieten we met een schok wakker en beseffen we dat de dood levensecht is. En het verdriet daarover is per definitie puur individueel: je hebt je eigen gedachten en herinneringen. Rouwen doe je dan ook in je eentje, niet met de ogen van de hele wereld op je gericht. Met de smartphone uit, het liefst.

Ricus van der Kwast