De oliebollenbakker en andere solidariteitssymbolen

Dat was even schrikken. Een finaal de grond in geboorde oliebol bleek uit de frituurpan van een huilende man van middelbare leeftijd te komen. Voor de 65-jarige Alfred Kroeze had het gevoeld alsof er een familielid was gestorven toen zijn bollen ‘gebakken lucht’ werden genoemd in een van de grootste kranten van Nederland. Eindcijfer: een schamele 4,5.

Het gesnik van de bakker ging door merg en been en er werd rap een solidariteitsactie op touw gezet. Nu staat de zaak in de Amsterdamse Pijp vol met troostklanten die de luchtige oliebollen met een snufje kaneel juist ontzettend lekker vinden. Medewerker Kroeze werd het symbool van hoe we met elkaar om zouden willen gaan. Samengevat: don’t be a dick.

In een tijd waarin we elkaar met het grootste gemak digitaal voor rotte vis of ouwe kankerlul uitmaken, kan het best nuttig zijn om weer eens te bedenken dat er achter namen, nummers, profielfoto’s of producten echte mensen schuilgaan. Mensen die je oliebollen bakken, mensen die aan de andere kant van de wereld voor een hongerloontje je veel te goedkope rotkleren in elkaar naaien, mensen bij wie het smartphonescherm oplicht als je je scheldkanonnades verzendt.

Al is het soms juist ronduit beangstigend dat de mensen ergens achter echt bestaan. In besloten, nogal extreemrechts-georiënteerde facebookgroepen waren de reacties op een afgebrand zwembad in Culemborg, dat door een islamitische organisatie was gekocht om het tot een moskee om te bouwen, op het criminele af. Anoniem? Nee hoor. Voorzien van een profielfoto, een voor- en een achternaam werden dingen geroepen als ‘Ik hoop dat die stinkmoskee vol zat met van dat tuig dan is het dubbele pret’ en ‘Mag hopen dat ze Sylvana ook op die brandstapel hebben gegooid’. Hoop, een van de drie christelijke deugden. Schitterend.

Nu echte solidariteit ver te zoeken is, klampen we ons vast aan symbolen die een herinnering eraan echoën, of misschien zelfs maar de suggestie van zo’n herinnering. De oliebollenbakker. De ongeneeslijk zieke Tijn. We zijn zo cynisch dat één sympathieke kleuter met kanker ons meer beroert dan het goede doel waar hij twee miljoen voor bij elkaar lakte: negenhonderdduizend anonieme kinderen die jaarlijks aan longontsteking sterven. Eerst zien, dan geloven. We willen waar voor onze solidariteit. Gedroogde bakkerstranen, een kinderglimlach.

De weggeefwinkel bij mij om de hoek heeft met kerst buiten een ‘solidariteitskoelkast’ neergezet. Daarin kunnen anonieme mensen die in overvloed leven hun kliekjes achterlaten, die vervolgens meegenomen worden door wat minder bedeelden. Met kerst lagen er ossenhaaspuntjes en bier in, een paar dagen later een paar mandarijntjes, twee potjes jus van Maggi en een aangebroken zak eierkoeken. Elke solidariteitsgolf kent een piek rond kerstmis, maar wie een royaal feestmaal zoekt kan beter even langs de voedselbank. Misschien zou het helpen als de voedselbehoevenden naast het geplastificeerde A4’tje met de regels (‘Smakelijk delen!’) een beminnelijk fotootje van zichzelf achterlieten. Het goede voornemen van deze cynicus? Don’t be a dick.