Leven  

Oud en nieuw in Portugal: waarom Don Arturo ons aller respect verdient!

406 seconden leestijd

De aanstaande en ik waren tijdens de jaarwisseling met vrienden in Portugal, de habitat van José Rentes de Carvalho en – uiteraard – onze eigen Don Arturo. We bivakkeerden in de buurt van Paderne, een dorpje van anderhalve man en een paardenkop dertig kilometer boven Albufeira. Het was er qua klimaat aangenaam toeven – een winterzonnetje, gemiddeld zo’n 18 graden, net te koud voor een duik in het zwembad. Maar daarmee is alles dan ook wel zo’n beetje gezegd.

Paderne bruist. Vindt Paderne. Zo organiseert de plaatselijke VVV rond de feestdagen traditioneel een middeleeuwse markt. Een festijn dat groots wordt aangekondigd in de hele Algarve. De naïviteit zelve togen wij de eerste dag van ons verblijf naar dit volksfeest. Uit voorzorg gewapend met een stevige dosis antidepressiva. Bepaald geen overbodige luxe, bleek alras. Een varken aan het spit en een processie onder begeleiding van de plaatselijke Josti-band met als apotheose een proclamatie in het Arabisch ter ere van Táriq ibn Ziyãd, de commandant van het Moorse leger dat begin achtste eeuw een groot deel van de Algarve annexeerde, een rol die met verve werd vervuld door de plaatselijke poelier, brachten het serontine-peil op crisisniveau.

De rest van het land leek uitgestorven. Het sardineblikjesmuseum in Portimão, de overdekte markthallen in Loulé, volgens Rentes de Carvalho een van de zeldzame must sees in de Algarve: allemaal gesloten. Zelfs de horeca-uitbaters in Portimão, een soort Zandvoort, maar dan erger, waren merendeels met sabbatical. Alleen een Italiaan was aberto. Binnen gooide een puistige puber de menukaarten al gapend op tafel. Pas toen een Portugese deerne vergezeld van haar opa en oma de zaak betrad en zijn hormonen begonnen op te spelen bleken de stembanden van de knaap ineens toch intact.

Waar het nieuwe jaar in te luiden was de kwestie die ons puzzelde. Het strand van Albufeira, waar een dj het feest zou opleuken en een vuurwerkshow op het programma stond, gooide hoge ogen. Vraag was alleen hoe daar te geraken. Heen met de bus zou nog wel lukken. In de eerste uurtjes van 2017 terug leek godsonmogelijk.

Taxi’s voldoende. En animo eveneens. Op een normale zaterdagavond stond er in het centrum al snel een rij van honderd gegadigden, hoorden we van ervaringsdeskundigen. Maar wie, zoals wij, naar de binnenlanden wilde, kon het vergeten. Zeker, de centrale zou de aanvraag wel invoeren, maar geen chauffeur die de rit vervolgens accepteerde. Korte ritten waren veel lucratiever.
Er was gelukkig een alternatief: het jaar uitzitten in het vijf kilometer verderop gelegen restaurant Paraiso. Die naam (Paradijs) was misschien ietwat al te pretentieus, maar het eten was er uitstekend, de wijnen op de wijnkaart de Grote Hamersma-waardig en de gastvrouw – Lena, schoondochter van de patrão (patroon) – een schat.

Paraiso vierde ook oud en nieuw. Met een speciale menu, muziek – nee geen Fado, dat bliefden de loco’s niet – en vuurwerk. Oud en nieuw in Paraiso was een begrip, vertelde Lena. Zelfs vanuit het verre Lissabon kwamen de mensen speciaal naar het restaurant om dit festijn mee te maken. En ja, wij waren ook welkom. Een taxi was geen probleem. Desnoods zou ze ons zelf terugbrengen, beloofde ze.

We zwichten. Tegen zoveel enthousiasme waren we niet bestand. Op sneakers en in de enige blouses die we hadden meegenomen, meldden we ons om 19:30 uur bij Paraiso. Daar stond een groep van zo’n honderd autochtonen – de vrouwen in het lang, de mannen in hun trouwpak met bordeelsluipers – zich al te verdringen bij de poort. Om zich even later en masse te storten op de mierzoete hapjes en de goedkope, zoete rosé-schuimwijnen waarmee we werden verwelkomd.

We kregen een tafel bij het raam. Aan de ronde tafel tegenover ons zat een groep Portugese babyboomers – aan het kleine postuur en de besnorde vierkante koppen van de heren te zien broers met hun verzuurde echtgenotes. Achter ons vier mensen, eveneens Portugezen met een dame op leeftijd en een decolleté tot op haar navel als stralend middelpunt. En rechts vier Britse vijftigers: drie in pak, overduidelijk gay en een tonnetje ronde transgender.

Naar mate de avond vorderde, de muziek steeds luider klonk en de glazen gin-tonic en lager in rap tempo bleven doorkomen werden de Britten steeds vrolijker. High fives, waves, kokette dansjes: eerst alleen met de andere tafelgenoten, later ook met de autochtonen. Vooral de ‘boekhouder’, een saaie zestiger in een donkerblauw double breasted pak, aanvankelijk de meest introverte van het stel, kreeg er zin in. Hij wilde voortdurend toasten en kon zijn ogen niet van mij afhouden.
Op de dansvloer had de aanstaande het intussen te verduren. Een in een roze shirt en zwarte terlenkabroek gehesen local probeerde haar het hof te maken. Toen ze niet op zijn avances in ging, bedankte (“Opzouten Christiano!”) en naar de tafel terugliep waggelde hij achter haar aan. Halverwege probeerde hij haar arm te pakken, maar struikelde. Zijn vrienden lachten hem uit.

De redding was gelukkig nabij. Met nog vijf minuten op de klok spoedde iedereen zich naar buiten. Na tien vuurpijlen en een glas schuimwijn was het ‘feest’ voorbij. In no time keerden de bezoekers huiswaarts. Ook wij, met Lena. Dan maar de reprise van de Oudejaarsconference van Claudia – breedbekkikker – de Breij.

Ter ontnuchtering besloten we later die dag tot een stevige wandeling. Een eenvoudige trail langs de boorden van de nabijgelegen ribera. Met een uitdaging: om de rondwandeling te kunnen voltooien moesten de we rivier halverwege over stenen oversteken. Maar dat was volgens de routebeschrijving goed te doen: de stenen lagen nog geen halve meter uit elkaar.

Nee dus. Op de oversteekplaats was geen steen te bekennen. Tot aan de knieën waadden we door het water – dezelfde weg terug nemen was met nog een paar kilometer voor de boeg nog minder aanlokkelijk.

Tijdens de wandeling passeerden we tal van leegstaande huisjes. Sommige nog deels gemeubileerd – met klerenhangers en al. In gedachte was ik bij Don Arturo. Een groentetuin, een paar honden als gezelschap, een zonnetje, een botequim (bar) op loopafstand, af en toe een stukje schrijven om de gas-, elektra- en waterrekening te kunnen betalen: Portugal was misschien toch zo gek nog niet.

Maar een knallende ruzie vlak voor vertrek bracht ons weer bij zinnen. Toen we ’s ochtends rond half acht de auto wilden inleveren bij Drive on Holidays, de verhuurder, kwam een van de medewerksters ons al schreeuwend tegemoet lopen. “You have to pay 30 euro’s. You are to early. Our office is open at eight o’clock!”

Perplex stonden we. Half acht hadden we toch afgesproken? Van die regeling was ons niets verteld. Bovendien: het kantoor was nu toch open, zij was er nu toch – binnen zat nog een collegaatje uit haar neus te eten. Dus, wat was nu het probleem. Om negen uur vertrok ons vliegtuig…

Na veel verbaal geweld over en weer kwam het uiteindelijk toch nog goed. We haalden de vlucht. Maar Portugal: dat was eens, maar nooit weer.

Mucho respeto Don Arturo!iiaraiso


Jan Smit

Jan Smit (1962) is journalist en auteur. Bij Uitgeverij Balans verschenen in 2014 van zijn hand De Opdracht, de biografie van Herman Wijffels, en Het derivatendrama, een reconstructie van de Vestia-affaire. Hij werkte tot en met 2009 als redacteur economie bij HP/De Tijd en was freelancer voor onder meer Het Financieele Dagblad en Vrij Nederland.

Lees ook
Meer artikelen